Home

 

Ongeveer een halve eeuw lang is scholing voor slimme mensen hét middel geweest om zich te ontwikkelen en hun eigen familie sociaal te ontstijgen. Maar die mobiliteitsfunctie blijkt het onderwijs steeds moeilijker te kunnen vervullen, en dat in een tijd waarin economische verschillen tussen mensen juist groter worden. Kees Vuyk ziet de samenleving in twee delen uit elkaar vallen en vraagt zich af waarom de hedendaagse vormen van ongelijkheid zo veel politieke onrust teweeg brengen. In Oude en nieuwe ongelijkheid. Over het failliet van het verheffingsideaal (2017) probeert hij na te gaan waarin de ongelijkheid van vandaag verschilt van die van gisteren. In 2018 kreeg hij voor zijn boek de Socratesbeker.

In het publieke debat mist hij twee elementen. Een daarvan gaat over de ideologie van gelijke kansen in het onderwijs. De voorstanders daarvan hebben zich teveel geconcentreerd op het bevorderen van schools succes, terwijl ze kinderen die niet het geluk van een goed verstand hadden hebben verwaarloosd. ‘Education cannot compensate for society‘ – dat besef is er altijd wel geweest, maar er werd weinig over nagedacht, er werd weinig over gesproken, en er werd – en wordt – weinig mee gedaan. Kinderen die het op school niet zo goed doen krijgen weinig aandacht, en dat geldt ook voor schooltypen die een lagere plaats innemen in de rangorde van het onderwijs, zoals het vmbo en het middelbare beroepsonderwijs. Meritocratisering is een van de doelstellingen van de gelijke kansen-ideologie, en dat klinkt positief. Maar Vuyk stelt terecht dat een samenleving die erin slaagt om kinderen hun talenten ongeacht hun sociale herkomst te laten ontwikkelen niet hoeft te resulteren in een rechtvaardiger of een meer egalitaire samenleving. Meritocratisering heeft als onbedoeld en neveneffect dat het de ‘natuurlijke ongelijkheid’ tussen mensen aan het licht brengt. Dat brengt Vuyk op een ander punt dat in discussies onderbelicht blijft: verschillen in intelligentie. Hij schrijft de veronachtzaming daarvan onder andere toe aan de pijnlijkheid van het onderwerp. Zelf stelt hij zich op het standpunt dat mensen niet gelijk zijn, dat aangeboren verschillen onder ogen moeten worden gezien en dat ze in het publieke debat een plaats moeten krijgen. Wie zou het daarmee oneens zijn?

Vuyk denkt dat de meritocratie ongeveer is gerealiseerd, en dan neemt hij de intellectuele standaard die op dit moment als schools succes wordt gezien als uitgangspunt. Verborgen talent is er volgens Vuyk hem nauwelijks meer, al geldt dat niet voor de kinderen van immigranten die schoolse kansen ook tegenwoordig nog niet optimaal weten te benutten. Zou hij dat bedoelen met de ondertitel van zijn boek, Over het failliet van het verheffingsideaal? Dat het verheffingsideaal zijn grenzen ongeveer heeft bereikt?

Of denkt hij daarbij aan iets anders? Bijvoorbeeld aan zijn observatie dat hoog en laag uit elkaar groeit? De bovenkant van de samenleving heeft volgens hem geen contact meer met de onderkant. Ze zien elkaar niet meer, ze begrijpen elkaar niet meer. Een onderdeel van deze ontwikkeling is dat mensen homogener zijn geworden in hun huwelijkskeuzen. De dokter kiest niet meer de verpleegster als vrouw, maar zoekt een andere dokter. Dat heeft tot gevolg dat genetische en sociale componenten van intelligentie gaan samenvallen. Die optelsom resulteert bij de kinderen van hoogopgeleiden in een hoge intelligentie, bij de kinderen van laagopgeleiden in een lage intelligentie. Zo leidt het samenvallen van opleiding en intellect tot de intellectuele potentie van kinderen, tot ontwikkelingsmogelijkheden die hun worden geboden, en ten slotte tot de schoolresultaten van een volgende generatie. Nature en nurture komen in elkaars verlengde te liggen, afkomst wordt opnieuw een factor in succes. Die nieuwe vorm van ongelijkheid ziet Vuyk als een oorsprong van de hedendaagse populistische bewegingen. En hier raakt zijn betoog aan de classic van Michael Young, The Rise of Meritocracy (1958), waarin rancune een sleutelwoord is. Het is een spoor dat ook door anderen wordt gevolgd, zoals bijvoorbeeld door Robert van Krieken (2018) die in navolging van Menno ter Braak (1937) gevoelens van wrok als grondslag ziet van de politieke onvrede van vandaag.

Een verschijnsel dat met het samenvallen van sociale klasse en intelligentie verband houdt is volgens Vuyk eveneens door de ideologen van de gelijke kansen verwaarloosd. Dat is de braindrain in de arbeidersklasse, die het gevolg is van het streven om verborgen talenten uit die klasse te verheffen. Vroeger vormde de arbeidersklasse een laaggeschoolde gemeenschap die qua intelligentie heterogeen was samengesteld. Er was altijd wel een slimme tante in de buurt die in moeilijke situaties kon worden geraadpleegd. Maar nu zijn de achterblijvers op zichzelf aangewezen, terwijl ze zich met hun beperkte intellectuele vermogens moeilijk kunnen oriënteren in deze onoverzichtelijke en snel veranderende wereld. In het hoofdstuk ‘De populistische revolte’ voert Vuyk in dit verband een beperkte groep ten tonele, de 15% licht-verstandelijk gehandicapten. Zij laten zich gemakkelijk misbruiken, ze laten zich bedriegen en voor andermans karretje spannen. Marigo Teeuwen is een van de weinigen die deze groep mensen heeft onderzocht. Zij schreef er verschillende boeken over: Zware bagage (2009), Verraderlijk gewoon (2012). Teeuwens empirische materiaal bevestigt Vuyks zorgen over de problemen die mensen met geringe intelligentie in deze complexe wereld hebben. Vuyk citeert een krantenartikel waarin haar naam wordt genoemd, maar jammer genoeg gebruikt hij haar onderzoek niet om zijn stelling over de braindrain uit te werken en concreet te maken. Dat laatste heb ik node gemist: wie rekent Vuyk tot de achterblijvers? Denkt hij aan de 15% licht-verstandelijk gehandicapten of heeft hij een breder gezelschap op het oog?

Vuyk heeft gelijk wanneer hij de ideologen van de gelijke kansen er om bekritiseert dat ze alleen maar oog voor succes hebben. Maar voor mij gaat hij niet ver genoeg. Hij blijft vasthouden aan de bestaande definitie van schools succes, aan de beperkte analytische en logische vermogens die op school de standaard zijn. Hij voegt daar zelf nog informatieverwerking aan toe, maar ook dat vermogen is onder de noemer van intellectuele vermogens te rangschikken. Andere talenten – handvaardig, motorisch, muzikaal – komen niet in zijn kraam te pas. Hij ziet wel in dat verschillen in talent niet alleen gaan over intellectuele potentie, en dat het er uiteindelijk om gaat wat met die potentiële vermogens wordt gedaan. Een boerenjongen in de Middeleeuwen deed daar iets anders mee dan de schoolkinderen in De luizenmoeder. Hoe kinderen en jongeren zich ontwikkelen, hoe ver en in welke richting, is afhankelijk van de sociale verhoudingen waarin ze opgroeien.

Een onderwijsstelsel dat meer ruimte zou geven aan de ontwikkeling van een diversiteit aan vermogens zou de angel kunnen halen uit het hiërarchische en dichotome onderwijsstelsel van dit moment, met zijn onderscheid tussen algemeen vormend en beroepsgericht onderwijs, tussen theoretisch en praktisch onderwijs, tussen vmbo/mbo en havo/vwo.

Ook vind ik dat Vuyk zich te gemakkelijk voegt in het gangbare publieke vertoog over ‘de polarisatie van de samenleving’. Dat vertoog gaat er vanuit dat de toegenomen sociale ongelijkheid een verdwijning van de middenklasse inhoudt en dat hoog en laag elkaar niet meer tegenkomen. Maar het midden is nog steeds aan het uitdijen. De mensen die ertoe behoren vormen een zeer divers gezelschap, dat inconsistent scoort op de verschillende assen van ongelijkheid – sociaal, economisch, cultureel, persoonlijk. Het debat over ‘de tweedeling’ van de samenleving is echter te abstract om ruimte te laten voor deze verscheidenheid en voor ontmoetingen tussen hoog en laag. Toch zijn die ontmoetingen er wel: in publieke instellingen, op straat en op het werk. Hoog en laag komen elkaar daar tegen, maar ze gaan daar anders met elkaar om dan ze vijftig of honderd jaar geleden deden. Hoe ze dat doen, egalitair of neerbuigend, welke gevoelens ze bij elkaar oproepen – dat is een onontgonnen terrein dat Vuyk niet betreedt en dat in het publieke debat zelden of nooit aan bod komt. Toch zijn die ontmoetingen relevant. Daar ontstaan de ideeën en gevoelens van hoog tegenover laag, en andersom. Wie wil weten hoe mensen zich tegenwoordig tot elkaar verhouden, tegenover elkaar gedragen, over elkaar denken en voelen – die kan niet achter een bureau blijven zitten. De werkelijkheid is beweeglijker en veelvormiger dan op basis van abstracte filosofie zichtbaar is.

image

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s