Home

white-trash

 

De Amerikaanse droom als collectieve fantasie

Rineke van Daalen

Wie zijn de populisten en wat beweegt hen? Het zijn vragen waar je anno 2017 niet omheen kunt. Maar zo geformuleerd is de vraag te eenvoudig. Populisten vormen een gelaagd en gevarieerd gezelschap en ze zien er in verschillende landen verschillend uit. Van die gelaagdheid raak je je extra bewust als je Nancy Isenberg’s intrigerende boek leest: White Trash. The 400-Year Untold History of Class in America (2016). Als je het over populisten in de Verenigde Staten hebt ben je er niet met ‘the rust belt’ of ‘de witte onderklasse’, laat staan met ‘de witte boze mannen’. Isenberg geeft een nieuwe kijk op de klassenstructuur van de Amerikaanse samenleving. Ze duikt de geschiedenis in en laat zien hoe complex en verhuld de klassenongelijkheid daar is. Ze maakt daarbij gebruik van een schat aan culturele bronnen – sitcoms, radioprogramma’s, films, toneelstukken -, die de Amerikaanse houding tegenover white trash plastisch illustreren.

Amerikaanse kinderen leren op school dat ze in een uitzonderlijk land leven. Heel anders en ook beter dan de rest van de wereld. De Nieuwe Wereld zou welvaart voor iedereen bieden, in een samenleving zonder klassen. Hard werken zou iedereen, ook gewone mensen, kansen geven. Het zijn diepgewortelde mythen, waarvan Isenberg laat zien dat ze niet voor iedereen gelden. De kern van haar boek is dat de Verenigde Staten wel degelijk een klassenmaatschappij vormen, met klasseposities die van generatie op generatie worden doorgegeven. Steeds heeft er een witte, rurale onderklasse bestaan, met een geschiedenis die teruggaat tot de eerste settlers. Die vormden een arme groepering waar Amerikanen overheen keken en nog steeds overheen kijken, maar die tot op de dag van vandaag diepe sporen in de Amerikaanse verhoudingen en cultuur heeft getrokken.

De armoede van deze mensen werd – en wordt – gezien als een kenmerk van hun ‘soort’ mensen. ‘Soort’ wordt dan biologisch en erfelijk gedefinieerd, zoals boeren dat met hun veestapel doen. Daarin tellen stambomen en biologische afkomst. Vanuit dit perspectief wordt armoede toegeschreven aan een van nature gegeven mentale en fysieke uitrusting. Deze armen zouden onveranderlijk en onverbeterlijk zijn. Betere manieren, meer scholing, sociale interventies, het zou hen allemaal niet helpen. In deze redenering zijn ‘soort’, ras en klasse nauw aan elkaar verwant.

In de vroege settlerstijd zou de toestand van deze armzalige mensensoort verweven zijn met de grond waarop ze leefden. Die lag braak, was moerassig, onproductief, overwoekerd. En nog steeds wordt hun situatie volgens Isenberg sterk met plaats verbonden. Dat is zichtbaar in de tegenstelling tussen de witte suburbs waar de ‘fatsoenlijke’ middenklasse woont, en de trailerparken en stedelijke ghetto’s waarin een onderklasse buiten beeld wordt geplaatst. Gepensioneerden, migranten, worstelende armen, sommigen die door renovatieprojecten uit de stad zijn verdreven – zulke mensen zijn in de trailers te vinden. Het heeft iets dubbels om daar te wonen: armoedig maar ook vrijgevochten, modern en anti-modern. De parken doen daarin denken aan de woonwagenparken hier, ver weg van de mensen die zich als gevestigd beschouwen. Soms is er zelfs een muur omheen gebouwd. Het zijn locaties met slechte voorzieningen en slechte scholen, en zo blijft de armoedecyclus zich steeds opnieuw herhalen. Isenberg verwijt politici dat ze hun onverschilligheid rationaliseren en de gepriviligieerden bevoordelen. Ze ziet hun optreden als anti-democratisch en sociaal-darwinistisch. Echte klassenverschillen worden gecamoufleerd. De enkelingen die er in slagen om aan dit noodlot te ontsnappen worden als modellen voorgesteld, waarbij het belang van klassenvoordelen, van persoonlijke connecties en nepotisme wordt miskend.

Isenberg’s boek kantelt voor mij het perspectief dat me vertrouwd is uit het werk van bijvoorbeeld Richard Sennett of Robert Putnam. Zij hebben het over de teloorgang van de Amerikaanse droom die in de jaren 1950 en 1960 voor grote groepen uit de middenklassen bereikbaar was. Door hard te werken, iedere dag een draadje en een hemdsmouw in een jaar, konden zij voor hun kinderen een betere toekomst creëren. Maar de afgelopen decennia is dat ideaal, zeker voor hun kinderen, onbereikbaar geworden.

Dat verhaal is dramatisch, maar wat Isenberg laat zien gaat verder. Steeds is er een grote groep geweest voor wie de Amerikaanse droom nooit heeft bestaan. Amerikanen uit de middenklasse voelen zich daarbij ongemakkelijk. Ze hebben een beeld van Amerika, waarin geen plaats is voor armoede en evenmin voor losers. Dat de werkelijkheid anders is willen ze niet zien. Ze sluiten mensen die ze als white trash beschouwen systematisch buiten, als buren die ze niet willen erkennen. ‘They are not who we are‘. Maar zegt Isenberg, dat zijn ze wel en ze zijn er altijd geweest, of Amerikanen dat leuk vinden of niet.

Om het ingewikkelde verhaal van de Amerikaanse sociale gelaagdheid te begrijpen neemt Isenberg je mee naar de koloniale periode en naar de ideeën over armoede in het 16e en 17e eeuwse Engeland. Anders dan de mythe wil behoorde ruim de helft van de settlers niet tot de middenklasse en staken ze de oceaan niet om religieuze redenen over, op zoek naar persoonlijke vrijheid en godsdienstvrijheid. In plaats daarvan stuurden de Engelsen hun ‘waste people‘ naar de Nieuwe Wereld toe. Daarmee losten ze twee problemen op. Ze maakten hun gevangenissen leeg, ze ontdeden zich van hun zwervers, bedelaars, hoeren, kleine misdadigers, ooglijders. Én ze creëerden arbeidskrachten voor de Nieuwe Wereld. Voor sommigen van die settlers was de overtocht een manier om aan de galg te ontsnappen, anderen verkozen verbanning boven de gevangenis. Hun overtocht werd dan betaald, maar dat betekende wel dat ze hun arbeid vier tot tien jaar moesten verkopen. Als ze in Amerika kinderen kregen, dan waren die ook automatisch tot dwangarbeid veroordeeld. Dat gold ook voor straatkinderen die werden opgepakt en naar de Nieuwe Wereld werden getransporteerd. Al deze nieuwkomers werden in verschillende vormen van dwangarbeid uitgebuit.

Zo zijn de Verenigde Staten belast geraakt met een Britse koloniale erfenis van klassenverhoudingen en met een grote gevoeligheid voor klassenonderscheidingen. De mensen die tot de onderklasse behoren vormen door de eeuwen heen compartimenten van armoede in een welvarend land. Vanaf hun vestiging zijn het buitenstaanders geweest en dat is altijd zo gebleven. In iedere periode worden zij door de machthebbers weer een beetje anders gedefinieerd. Als ontwortelde zwervers, als lui, als klei-eters, die zich in de modder en de mest wentelen, hun nek rood verbrand door de zon; met slecht gevoede en slecht geklede kinderen, die ver van de civilisatie en van de moderne tijd opgroeien. Ze krijgen steeds andere, denigrerende namen. Ik laat hun namen onvertaald: waste people, offscourings, lubbers, bogtrotters, rubbish, squatters, crackers, tackies, mudsills, hillbillies, white niggers, degenerates, red necks.

Er zijn mensen die aan dit noodlot hebben weten te ontsnappen, zoals Lyndon B. Johnson, Elvis Presley, Jimmy Carter en Bill Clinton. Zij worstelen allemaal met hun hillbilly-herkomst en worden blijvend aan hun herkomst herinnerd. Isenberg geeft er sprekende voorbeelden van hoe het stigma van white trash aan hen blijft kleven. Wanneer de Carters het Witte Huis verlaten, gaat het gerucht dat de nieuwe bewoonster, Nancy Reagan het huis een zwijnenstal vond. Zij beschouwde het echtpaar als white trash en om iedere herinnering aan hen uit te wissen ging ze het huis eens goed uitmesten. Ook in de manier waarop de Monica Lewinsky- zaak in 1998 werd behandeld klinkt door hoe het seksuele gedrag van Clinton als typisch voor white trash werd gezien. De schrijfster Toni Morrison herkende daarin de behandeling die in het algemeen zwarten ten deel viel. Zij noemt Clinton ‘de eerste zwarte president’.

Op iedere nieuwe poging om sociale ongelijkheid te verminderen – New Deal, Johnson’s Great Society, Obama Care – volgt in de Verenigde Staten een heftige tegenreactie. De armen zouden geen hulp van de overheid verdienen, ze zouden zich onvoldoende inzetten en steun zou hun ledigheid belonen. Overheidshulp zou de American Dream ondermijnen. De bureaucratische rompslomp van die hulp zou te duur zijn, en zou betaald worden met geld dat de overheid van hardwerkende mannen en vrouwen afpakt. Het zijn reacties die verbonden zijn met een diepe angst voor nivellering.

Isenberg’s boek laat zien dat ook degenen die er in de Verenigde Staten niet in slagen om de American Dream te belichamen, om een middenklasse-bestaan te leven, een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse geschiedenis en civilisatie uitmaken. Haar zorgvuldige historische onderzoek geeft een onbekend en verontrustend beeld van de gelaagdheid in de Verenigde Staten. De lezer van vandaag zou graag willen weten of – en hoe – deze nieuwe kijk op klasse- en rasverhoudingen het populisme en het fenomeen Trump en aanhang kan verhelderen. Arlie Hochschild portretteert in Strangers in Their Own Land (2016) de aanhangers van de Tea Party in Louisiana. Die moesten de touwtjes aan elkaar knopen om er een levensstijl van de middenklasse op na te kunnen houden. Zij zijn er trots op dat ze hun onafhankelijkheid en hun autonomie nog steeds – zij het met moeite – hebben weten te bewaren. Maar voor de mensen waarover Isenberg schrijft is een middenklassebestaan altijd buiten bereik geweest. Hoe verhouden zij zich tot Trump?

http://www.socialevraagstukken.nl/recensie/de-amerikaanse-droom-als-collectieve-fantasie/

image

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s