Home

img_7040kanaal 

Wie zijn de populisten?

Rineke van Daalen

21/11/2016

Eerder heb ik me verzet tegen dichotome manieren van denken, zoals het geval is met het onderscheid tussen hoog- en laag-opgeleid. Maar de Amerikaanse verkiezingen maken het ons niet gemakkelijk om anders dan dichotoom te denken. Je kiest blauw of rood en andere kleuren zijn er niet. Maar onder blauw en onder rood zijn alle schakeringen te vinden, in welstand, opleiding en beroep, in ideeën en emoties, in levensbeschouwing en nationaliteit, in levenswijzen die meer op het platteland of de stad zijn toegespitst, in gender, kleur of migratie-achtergrond. Tussen het gedrag van mensen en het behoren tot een of meer van deze sociologische categoriëen blijken verbanden te bestaan, maar deze verbanden zijn niet dwingend.

Dat zie je ook bij de Donald Trump-stemmers. Die zijn niet onder één noemer te brengen. Zo wordt een Trump-stem vaak geïnterpreteerd als een stem van wanhopigen die decennialang niet gehoord zijn. Voor een deel van de stemmers gaat dat op, zoals in Strangers in their Own Land van Arlie Hochschild (2016) het geval is. Maar een ander deel van Trumps aanhang lijkt meer op hem zelf. Dat zijn geslaagde ondernemers die op of over de rand van het toelaatbare zaken doen. Weer andere stemmers hebben gevestigde belangen, die ze met een stem op Trump zeker willen stellen. Uitgaande van zijn denigrerende uitspraken over migranten, vrouwen, zwarten zou je verwachten dat deze groepen niet op hem zouden stemmen. Maar ook onder deze groepen zijn wel degelijk Trump-stemmers te vinden.

Dit bonte gezelschap laat zien dat van alle dichtomieën die je kan verzinnen – rijk/arm, hoog/laagopgeleid, man/vrouw, al dan niet gemigreerd, elite/volk, wit/zwart, gelovig/seculier, islam/christelijk, moderniseringsverliezers/globaliseringswinnaars, werkend/werkloos, gevestigende/buitenstaanders – in beide categorieën Trump-stemmers zijn te vinden. Het zijn te simpele indelingen om de keuzen en gedragingen van mensen mee te kunnen begrijpen. Het is waar dat er empirische verbanden bestaan tussen gedrag en zulke objectieve kenmerken, maar mensen hebben in hun handelen ook vrijheidsmarges en een relatieve autonomie. Daarom is menselijk gedrag niet helemaal vanuit deze categorieën te voorspellen.

Een van de meer algemene verklaringen van het populisme à la Trump en Wilders is al in de jaren 1958 door Michael Young geformuleerd, in The Rise of Meritocracy. Zijn boek gaat over de persoonlijke krenkingen die een diplomameritocratie bij minder getalenteerden teweeg zou brengen. Deze laaggeschoolden zouden ressentimentgevoelens ontwikkelen, die hen aanzetten tot een opstand tegen de hooggeschoolden die het op basis van aangeboren talenten in de samenleving voor het zeggen hebben. Dat ressentiment zou je eens te meer verwachten in een samenleving als de onze, die zich meritocratisch voordoet zonder dat te zijn. Dat geeft het slechtste van twee werelden. De kansen op goed onderwijs, zo belangrijk voor iemands verdere leven, zijn nog steeds ongelijk verdeeld, maar tegelijkertijd wordt kinderen een egalitair ethos voorgehouden. Iedereen zou recht hebben op gelijke kansen, en het onderwijs zou die kansen metterdaad creëren.

Youngs ideeën over de effecten van een meritocratische ordening waren destijds speculatief, en eigenlijk zijn ze dat nog steeds. Over de werking van ongelijkheid op de persoonlijkheid van leerlingen is niet veel bekend. Hier en daar, in autobiografieën bijvoorbeeld, zijn tekenen te vinden van verborgen schoolse krenkingen. Maar dan gaat het vaak over sociale stijgers. Veel minder is bekend over de betekenis die het voor kinderen heeft, wanneer ze hun talenten op school niet hebben kunnen ontwikkelen. Zijn dit voor hen verwondingen die ze hun leven lang bij zich dragen en die hun wereldbeeld kleuren? Hoe werken zulke schoolervaringen door in hun latere werkervaringen?

In de vele pogingen om iets te begrijpen van de opkomst en uitbreiding van het populisme worden mensen in het midden, lees in Nederland: met een mbo-opleiding, nogal losjes aangewezen als kandidaten voor een opstand tegen ‘de elite’. Rancune tegenover mensen met een hbo opleiding of een academische graad, miskenning en een gebrek aan waardering, naast verdwijnende banen in de lagere regionen van het mbo, zouden juist deze middengroepering parten spelen. Zij zouden de ‘moderniseringsverliezers’ van dit tijdperk zijn. Ik vind ook deze redenering te simplistisch. Ik voorspel dat zich onder de Wilders-stemmers lager-, middelbaar- en hoger-opgeleiden zullen bevinden, terwijl de stemmers op andere partijen ook een gemengd gezelschap zullen bevatten.

2 thoughts on “Wie zijn de populisten

  1. Hallo Rineke….I’ve been reading Sjaak Koenis’s book, De januskop van de democratie, and he’s drawn attention to the discussion of ‘ressentiment’ in Menno ter Braak and Max Scheler, amongst other writers and ideas, which is all relevant for the issues you’ve raised here. It’s occurred to me that Koenis’s arguments might have something in common with Bram de Swaan’s 1989 piece on jealousy as a class phenomena. Koenis also has some other arguments that could link up nicely with Elias’s established and outsiders concept. Just some thoughts on Christmas eve! R.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s