Home

nico

Hoe ongelijk is Nederland? Dat vind je niet in Kapitaal in de 21ste eeuw van Thomas Piketty, maar wel in Vermogensongelijkheid (2015) van de socioloog Nico Wilterdink. Waarin loopt Nederland in en uit de pas?

De Nederlandse samenleving is de afgelopen dertig jaar minder egalitair geworden. Het gaat om een geleidelijk proces, dat slecht is te overzien wanneer je er nog middenin zit. Het is moeilijk te beoordelen of er sprake is van een kortdurende fluctuatie of van een blijvende ontwikkeling. Weliswaar doen de publieke media regelmatig verslag over de groeiende ongelijkheid, maar die berichtgeving is vaak emotioneel gekleurd en niet erg nauwkeurig. Voor leken in economische kwesties is het dan ook lastig om een helder beeld van de recente veranderingen te krijgen.

Vermogensongelijkheid in Nederland (2015) van de socioloog Nico Wilterdink maakt dat een stuk gemakkelijker. Het boek is een actualisering van zijn proefschrift Vermogensverhoudingen in Nederland (1984). Het geeft een goed gedocumenteerd inzicht in langetermijnontwikkelingen in economische ongelijkheid, het is goed geschreven en zo helder dat een breed publiek het kan begrijpen. De nieuwe uitgave heeft een laatste hoofdstuk, ‘Het vervolg: Ontwikkelingen sinds de jaren tachtig’, waarin Wilterdink door hem zelf verzamelde gegevens vanuit figuratiesociologisch perspectief interpreteert, op dezelfde manier als hij dat in zijn oorspronkelijke proefschrift heeft gedaan.

Hij gebruikt de studie van Thomas Piketty daarbij als referentiepunt. Nederland komt in Piketty’s studie niet voor, maar Wilterdink laat zien hoe de Nederlandse economische ontwikkelingen zich verhouden tot de ontwikkelingen in de landen die Piketty wel behandelt – de Verenigde Staten, Groot Brittanië, Zweden en Frankrijk. In welke opzichten loopt Nederland in en uit de pas met andere westerse landen? Wilterdink geeft een compact antwoord op deze vragen, zo compact dat ik daaraan in dit korte bestek geen recht kan doen. Dit stukje geeft beknopt weer wat in het nieuwe hoofdstuk staat en het is vooral bedoeld als uitnodiging om Vermogensongelijkheid in Nederland zelf te gaan lezen.

Van nivellering naar denivellering, en van collectivering naar privatisering: Nederlandse gegevens

Nico Wilterdink promoveerde in 1984, ongeveer op het moment waarop in Nederland een ombuiging plaatsvond, van nivellering naar denivellering, en van collectivering naar privatisering. Die omslag is niet heel radicaal. Vanaf 1980 was sprake van groter wordende ongelijkheid in de verdeling van privévermogens, maar de veranderingen waren klein. Tussen 1993 en 2008 veranderde de ongelijkheid niet noemenswaard: de rijkste 1% had de beschikking over 21 tot 23% van de totale privévermogens, het aandeel van de rijkste 5% schommelde tussen de 43 en 46%, dat van de rijkste 10% tussen de 57 en 61%. Na de economische crisis daalde de economische ongelijkheid voor korte tijd, maar in 2012 was deze weer hoger dan alle jaren na 1993 (344).

Hoewel deze uiterst scheve vermogensverdeling verontrustend is,  heeft die scheefheid – afgezien van heel recente ontwikkelingen – een enigszins stabiel karakter. En ook in andere opzichten is sprake van continuïteit. Net als in de jaren 1960 en 1970 concentreert het bezit van aandelen zich bij een kleine bovenlaag van grote- vermogensbezitters, terwijl het bezit van bank- en spaartegoeden en van eigen woningen meer gespreid is; net als toen wonen de meeste rijken in plaatsen zoals Bloemendaal en Wassenaar, en hangen vermogen, inkomen en leeftijd met elkaar samen -hoe hoger het inkomen en hoe ouder, des te groter het vermogen.

Maar ondanks deze continuïteit is er sinds de jaren 1960 en de beginjaren van 1970 in de Nederlandse vermogensverhoudingen veel veranderd. In de jaren 1980 vond op verschillende terreinen een kentering plaats. Particuliere vermogensbezitters werden belangrijker in de nationale economie, omdat privévermogens meer stegen dan het nationaal inkomen (348). De verhoging van de aandelenkoersen en van de prijzen van woonhuizen maakte dat de privévermogens ook ten opzichte van inkomens stegen, en daarbij groeiden de privévermogens aan de top het snelst. Overigens werd niet alleen de vermogensverdeling, maar ook de inkomensverdeling na 1980 schever. Uitkeringen gingen achterlopen bij de gemiddelde arbeidsinkomens, de verschillen tussen top, modaal en minimum werden groter. Internationale vergelijking laat overigens zien dat de vermogensongelijkheid in Nederland niet uitzonderlijk groot is. De Nederlandse ontwikkelingen komen grosso modo overeen met de ontwikkelingen in andere westerse landen.

Maar internationale vergelijking brengt ook kenmerken aan het licht die specifiek zijn voor de Nederlandse situatie. Zo is het overwicht van grote-vermogensbezitters in de nationale economie in Nederland kleiner dan in de landen die Piketty heeft onderzocht. Dat betekent dat het vermogen in Nederland meer gecollectiveerd is, ook al is sprake van een ontwikkeling in de richting van privatisering. Dit heeft verschillende achtergronden. De Nederlandse overheid heeft al decennialang de beschikking over aardgas, en het totale pensioenvermogen per hoofd van de bevolking is groter dan elders. Een omvangrijke huursector is ook kenmerkend voor Nederland. Een groot deel van de woningvoorraad is in handen van niet-winstgerichte organisaties, zonder privé-eigenaren. Een deel daarvan is de afgelopen tijd aan particulieren verkocht, wat door overheid en banken werd – en wordt – gestimuleerd. In samenhang daarmee is de omvang van de hypotheekschulden hier groter dan in andere landen (388).

Interpretatie

In westerse landen hebben zich de afgelopen decennia overeenkomstige economische ontwikkelingen voorgedaan, in de richting van een grotere ongelijkheid. Op zich is dat niet verbazingwekkend, want de achterliggende maatschappelijke veranderingen hebben een internationaal karakter. Daarover zijn Piketty en Wilterdink het met elkaar eens, ondanks hun verschil in theoretische benadering. Piketty beschouwt groeiende ongelijkheid als de normale economische conditie, die soms voor beperkte tijd door bijzondere omstandigheden kan worden onderbroken – denk aan revoluties, oorlogen, diepe economische crises, of sterke inflatie. Tussen 1914 en ongeveer 1975 deden zich in westerse landen, waaronder Nederland, dergelijke bijzondere gebeurtenissen voor. In deze periode daalde het kapitaalsrendement onder de inkomensgroei en nam de ongelijkheid af.

Maar ongeveer vanaf de jaren 1980 is weer sprake van wat volgens Piketty de normale toestand is. De vermogens- en inkomensongelijkheid nemen weer toe, bij een lage economische groei en een gemiddeld kapitaalsrendement dat hoger ligt dan de groei van het nationale inkomen (370). Deze ontwikkeling doet zich in de Angelsaksische landen overigens in sterkere mate voor dan  in Nederland en in andere landen op het Europese vasteland.

Nico Wilterdink zoekt naar verklaringen met een minder toevallig karakter. Hij verklaart de Grote Nivellering die na de Eerste Wereldoorlog inzette niet alleen door uitzonderlijke gebeurtenissen, maar hanteert een figuratiesociologisch langetermijn perspectief. Hij bekijkt samenlevingen als netwerken van interdependente en onderling van elkaar afhankelijke mensen, en ziet bezitsverhoudingen als exponent van macht- en afhankelijkheidsverhoudingen, als uitdrukking van menselijke interdependenties. Eenzelfde theoretische benadering heeft hij eerder toegepast bij het interpreteren van de ontwikkelingen in vermogens tot 1984. Anders dan Piketty kijkt hij vooral naar langlopende grootschalige ontwikkelingen, zoals industrialisatie, democratisering en interstatelijke concurrentie. Hij komt dan tot de volgende interpretatie. Ver voor de Eerste Wereldoorlog waren er al tekenen dat de machtsverschillen tussen sociaal-economische klassen in westerse, industrialiserende samenlevingen kleiner werden. Die groter wordende gelijkheid hing samen met politieke ontwikkelingen zoals de uitbreiding van kiesrecht, de opkomst van grote politieke partijen, de organisatie en erkenning van vakbonden, het hele scala aan door de overheid georganiseerde verzorgingsarrangementen en sociale wetgeving. In deze periode werd ook de basis gelegd voor een meer democratische parlementaire democratie.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, die Nico Wilterdink als de resultante van interstatelijke concurrentie beschouwt, werden de verschillende bevolkingsgroepen binnen naties nog meer van elkaar afhankelijk, waardoor de machtsverhoudingen zich nog verder ten gunste van de lagere sociale klassen ontwikkelden. En deze processen werden bekrachtigd door de Tweede Wereldoorlog, en door de uitbreiding van een royaal verzorgingsstelsel in de periode van sterke economische groei die daarop volgde.

De omslag in de richting van denivellering en decollectivering na 1980 probeert Wilterdink vanuit hetzelfde figuratiesociologische model te verklaren. Hij ziet dan een spiegelbeeldige ontwikkeling die neerkomt op ‘de verzwakking van interdependenties op nationaal niveau die het gevolg is van de uitbreiding en versterking van afhankelijkheidsnetwerken op internationaal en mondiaal niveau’ (377). Wilterdink bekijkt eerst de kwantitatieve economische veranderingen die de afgelopen dertig jaar direct van invloed zijn geweest op de vermogensverhoudingen; daarna brengt hij deze in verband met bredere maatschappelijke processen.

De eerste drie trends die hij bespreekt zijn in de jaren 1980 begonnen, en alledrie hebben ze denivellerende effecten. Allereerst is daar een daling van de arbeidsinkomens ten opzichte van de kapitaalinkomens. Deze daling ging samen met een tweede verandering, een vergroting van de ongelijkheid in arbeidsinkomens. Vooral de top-arbeidsinkomens van de bestuurders van grote ondernemingen maakten een onevenredige groei door. Wie Wilterdinks cijfers tot zich laat doordringen denkt net als Joris Luyendijk toen hij de bankenwereld onderzocht: ‘Dit kan niet waar zijn’. In 1990 verdienden de topbestuurders in Nederland ruim 17 keer zoveel als een gemiddelde fulltime werknemer, in 2007 was dat 34 keer zoveel geworden. En bovenop deze vaste salarissen kregen zij nog variabele beloningen, zoals aandelen of aandelenopties. De achterliggende gedachte was dat managers op deze manier meer belang zouden krijgen bij gunstige bedrijfsresultaten, en dat ze zich daarvoor meer zouden inzetten. Deze ontwikkeling is in de Verenigde Staten begonnen, en werd in andere landen gevolgd. De derde soort verandering hield een stijging van de waarde van aandelen in, die samenhangt met een verschuiving van arbeids- naar kapitaalinkomens. Die verschuiving leidde tot hogere ondernemingswinsten, waardoor aandelen aantrekkelijker werden als beleggingsobject. De vraag ernaar werd groter en de koersen gingen omhoog.

Deze drie veranderingen – een daling van arbeidsinkomens ten opzichte van kapitaalinkomens, toenemende inkomens- en vermogensverschillen en de waardestijging van aandelen – brengt Nico Wilterdink in verband met verdergaande internationalisering. Door veranderingen in technologie en communicatie raakten ondernemingen in staat om hun activiteiten meer geografisch te spreiden: goedkoop arbeidsintensief werk te verplaatsen naar lagelonen-landen, en onderzoek, productontwikkeling, reclame en marketing in de buurt van de hoofdvestigingen onder te brengen.

Het effect daarvan is een machtsverschuiving ten gunste van ‘kapitaal’ tegenover ‘arbeid’. Werknemers op midden- en lagere niveaus raakten daardoor in concurrentie met werknemers in armere landen. Ondernemingen werden minder afhankelijk van nationale overheden, en van werknemers en hun vakbonden. In de jaren 1980 ging deze uitbreiding van internationale afhankelijkheden samen met een recessie, die Wilterdink als een katalysator van de machtsverschuiving van ‘arbeid’ naar ‘kapitaal’ beschouwt. Door verdergaande globalisering kreeg deze machtsverschuiving een blijvend karakter en structurele gevolgen.

Ook in de politiek deden zich veranderingen voor die de economische ongelijkheid vergrootten. De recessie in het begin van de jaren 1980 werd onder andere toegeschreven aan de stijgende kosten van de verzorgingsstaat, vooral aan de hoge arbeidskosten. Om deze te beperken kwamen er bezuinigingen op overheidsuitgaven en op sociale uitkeringen, terwijl loonmatiging werd gebruikt om tot winstherstel te komen. Ook trof de overheid belastingmaatregelen die in het voordeel waren van bedrijven en investeerders. De nivellerende werking van belastingmaatregelen werd daardoor ondermijnd. Dit alles ging gepaard met een groot vertrouwen in de positieve werking van ‘de markt’. Staatsmonopolies werden opengebroken, overheidsbureaucratieën zoals scholen werden verzelfstandigd tot quasi-ondernemingen. Op deze verschillende manieren droeg de overheid bij aan de verschuiving van arbeids- naar kapitaalinkomens.

De enorme verhoging van de inkomens van topbestuurders in het bedrijfsleven is eveneens in verband te brengen met verdergaande internationalisering. Grote transnationale ondernemingen kregen steeds meer met elkaar te maken. Ze concurreerden met elkaar, ze werkten samen, ze waren mogelijke fusiepartners, terwijl de leiding van deze bedrijven steeds internationaler werd. Zo kon zich een internationale consensus ontwikkelen over een ‘marktconforme’ beloning voor de bestuurders van ondernemingen. De stijging van de aandelenkoersen ging samen met een groei van internationale kapitaalsstromen, en met een concentratie van kapitaal in internationaal opererende banken en beleggingsfondsen. Wilterdink noemt in dit verband nog een ander belangrijk proces, dat door computertechnologie en politieke deregulering is bevorderd: financialisering. De financiële sector heeft aan belang gewonnen, en financiële maatstaven worden steeds vaker gebruikt om productieve verrichtingen te beoordelen. Een sprekend voorbeeld is de kinderopvang die in Nederland in handen van durfkapitalisten is, terwijl je zou verwachten dat deze voorziening net als het onderwijs bij uitstek zou worden beschouwd als een collectieve instelling die uit publieke middelen wordt bekostigd.

Er is nog een vierde soort ontwikkeling, die juist een egaliserend effect op de vermogensverdeling heeft gehad, en die daarin een tegenkracht vormt tegen de andere drie. Dat is de uitbreiding van het eigenwoningbezit, onder andere door de verkoop van huurhuizen aan particulieren, in combinatie met de stijgende huizenprijzen. De groei van het eigen-woningbezit is een ontwikkeling die mogelijk is geworden door de grote welvaartsstijging, die al decennia voor 1980 gaande was, en die zich vooral onder de sparende middengroepen heeft voorgedaan. Het gaat hier om relatief sterk gespreid bezit, waarbij woningbezit een groter deel van het privévermogen in beslag neemt naarmate het vermogen kleiner is. Zo heeft een uitbreiding van het woningbezit in combinatie met een stijging van de huizenprijzen de vermogensverschillen verkleind. Deze trend houdt met andere woorden een demping in van de drie veranderingen die zich na 1980 hebben voorgedaan en die een denivellerende werking hebben gehad.

Toekomstige ontwikkelingen

De toenemende economische ongelijkheid heeft ingrijpende en verontrustende gevolgen. Om er een paar te noemen die ook in Wilterdinks boek zijn te vinden. De sociale cohesie wordt kleiner, terwijl het onderlinge wantrouwen groeit. De flexibilisering van arbeidsverhoudingen maakt dat mensen onder grotere stress en in grotere onzekerheid leven. Door deze verschillende ontwikkelingen zijn privébezit en ondernemerschap de afgelopen decennia weer belangrijker geworden als basis van materiële zekerheid (390, 391). Bovendien kunnen de bezitters van grote privévermogens het democratische karakter van de maatschappij aantasten door met financiële middelen politieke invloed uit te oefenen (392). De economie groeit minder hard, en parallel aan een stagnerende meritocratisering worden talenten onderbenut. De toenemende ongelijkheid van privévermogens maakt de ongelijkheid van kansen groter. Wilterdink spreekt van een ontwikkeling van bureaucratische op diploma’s gebaseerde ongelijkheid naar een kapitalistische ongelijkheid. Daarin worden privileges langs familielijnen overgedragen, door de erving van economisch kapitaal. De economische ongelijkheid heeft ook emotionele gevolgen. De groter wordende ongelijkheid vloekt met breed gedeelde normen van rechtvaardigheid en correspondeert niet met de egalitaire omgangsvormen die daarbij horen.

Na een periode waarin particuliere rijkdom salonfähig was geworden en succesvol ondernemen legitiem, groeit de verontwaardiging over de negatieve consequenties van de recente economische ontwikkelingen. Nico Wilterdink somt in zijn slotparagraaf maatregelen op die zijn voorgesteld om de bestaande ongelijkheid en de toename ervan tegen te gaan. Hij noemt deze voorstellen zinnig, maar hij twijfelt aan de haalbaarheid ervan. De machtsverschuiving waardoor bezitters en beheerders van grote vermogens de afgelopen dertig jaar machtiger zijn geworden heeft een internationale grondslag, en dat maakt dat het tij moeilijk is te keren. Op zijn minst is daarvoor een internationale, mondiale aanpak noodzakelijk, iets waarvoor de bestaande politieke structuren niet toereikend zijn. Wilterdink eindigt dan ook somber. Hij verwacht dat de economische ongelijkheid nog groter zal worden en tegelijkertijd signaleert hij een groeiend verzet daartegen. Die combinatie zal in de toekomst spanningen en conflicten opleveren.

Overigens is het niet zo goed te voorzien tussen welke groepen die spanningen zich zullen afspelen. Door de spreiding van privé- en semi-privévermogens over grotere aantallen kleine bezitters, die kans zagen op hun arbeidsinkomen te bezuinigen, is een vaag omgrensde middenklasse ontstaan en zijn de klassentegenstellingen onduidelijker geworden. Anders dan in de negentiende-eeuwse klassenstrijd zal de strijd zich dan ook niet afspelen tussen de arbeidersklasse en de bourgeoisie. Politici en journalisten zoeken daarom naar nieuwe manieren om tegenover elkaar staande belangengroepen te benoemen: ‘het volk en de elite’ of ‘het volk en de grachtengordel’, ‘hoger- en lageropgeleiden’. Maar deze aanduidingen zijn vaag en het blijft onduidelijk wie eronder vallen. Het gaat niet om twee tegenover elkaar staande blokken. Eerder zijn het wisselende coalities die op veranderlijke belangentegenstellingen zijn gebaseerd.

Nico Wilterdink 2015, Vermogensongelijkheid in Nederland. Amsterdam: Van Gennep.

Deze bespreking is ook verschenen in Sociale Vraagstukken
image

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s