Home

nic witsenkade

Een stille straat in een grote wereld. Kleine ervaringen met mensen van buiten.

Huizen uit het eind van de negentiende eeuw, goed in de verf, mooie tuintjes. De straat is er de afgelopen decennia op vooruit gegaan, is verzorgder maar ook duurder geworden. De bevolking werd homogener. De mensen die er wonen hebben geld en een goede opleiding. Jonge gezinnen vinden het een aantrekkelijke plek en er zijn dan ook veel kinderen. Het is er gemoedelijk, maar je kan het ook gezapig noemen.

Op de stoep van het hotel naast mijn huis staat een vrouw een sigaret te roken. Ik houd een praatje in het Engels, in de trant van ‘mooi weer vandaag’. Ze reageert geïrriteerd en zegt dat ze gewoon Nederlands spreekt. Ik zeg dat daar meestal toeristen staan te roken en dat ik me daarom in het Engels tot haar richtte. Haar irritatie begrijp ik niet helemaal.

Later begrijp ik dat wel. De vrouw is geen toerist en ze wil niet als toerist worden aangesproken. Ze blijkt door de gemeente tijdelijk in het hotel te zijn ondergebracht. Het hotel fungeert als noodvoorziening voor mensen voor wie de gemeente tijdelijk geen ander onderdak heeft.

Eerst is er een overgangsperiode. In het hotel zitten dan tegelijkertijd toeristen en tijdelijke bewoners. Deze nieuwe bewoners komen uit verschillende landen, sommigen spreken talen die ik niet kan thuisbrengen, sommigen zijn gekleurd. Allemaal hebben ze kinderen, variërend van baby tot tiener. Ze vallen op in de straat.

Het begint met één familie en geleidelijk aan wordt het een heel huis vol. De huizen in de straat hebben vier verdiepingen. Als ze niet als hotel worden gebruikt, heeft ieder huis twee woningen. De meeste woningen worden tegenwoordig bewoond door twee volwassenen, eventueel met twee of drie kinderen. Maar in het hotel woonden in deze periode ongeveer vijftien kinderen, met zo’n acht volwassenen, meest vrouwen. Al die mensen huisden in een stuk of negen kamers. De hotelkamers zijn niet ingericht op gezinnen of op een langer durend verblijf. Je kan er niet koken en wassen, de kamers zijn bedoeld om er overdag op uit te trekken. De kinderen hebben weinig bewegingsvrijheid, in de gangen en op de trappen mogen ze geen lawaai maken en daar zijn ze snel uitgespeeld. Sommige grotere kinderen trekken ‘s avonds met vrienden of familie naar buiten, meisjes met mooie vlechtjes in hun haar.

Voor de mensen uit de straat heeft dit nieuwe gezelschap een onduidelijke positie. Het zijn geen buren, maar evenmin zijn het toeristen. Van buren weet je meer, je groet ze, je bouwt er een geschiedenis mee op. Toeristen zijn passanten, de contacten met hen zijn vluchtiger. Je zegt ‘hallo’ en meestal blijft het daarbij. Maar deze nieuwe bewoners vallen daar tussenin. Ze blijven langer, sommigen zelfs negen maanden, ze komen hier niet voor hun plezier, ze hebben daar een kamer zolang ze nog geen andere woonruimte hebben. De kinderen voetballen in het tuintje, dat daar te klein voor is. De volwassenen brengen veel tijd door in huis en in de tuin. Bij mooi weer bivakkeren ze op de stoep, waar ze sigaretten roken en met elkaar praten. Bij warm weer ontbijten ze daar ook. Eerst deden ze dat in de ontbijtzaal van het hoofdgebouw van het hotel, maar de kinderen renden daar in het rond en ze waren te rumoerig voor de andere gasten. Daarom krijgen ze nu plastic mandjes met daarin hun ontbijt.

Mijn bovenburen merken minder van de verandering dan wij, die op de begane grond wonen. Ze wonen te ver van de straat. Ze horen meer mensen op de trappen lopen en rennen, ze hebben wel eens een aanvaring met een kind dat de planten niet met rust laat, en verder vinden ze het buitenleven op de stoep wel gezellig. De buurvrouw aan de andere kant van het huis vindt het niet prettig dat de gesprekken op de stoep haar zoontje uit zijn slaap houden. Of dat kinderen over het hek haar tuin in klimmen om daar de bal te pakken.

Ik vind het vooral onhelder en ongemakkelijk in de omgang, en ik raak nieuwsgierig naar wie daar wonen. Ik wil er meer van weten, ook omdat meer lawaai en gedoe altijd beter te verdragen is wanneer je weet van wie het afkomstig is. Na een poosje krijg ik wel wat contact, maar het blijft mondjesmaat. Ik moet een voetbal teruggooien die in mijn tuin is gekomen, ik houd een kletspraatje bij het fietsenrek, twee vrouwen bewonderen mijn nieuwe schoenen, en mijn kleinzoon speelt in de speeltuin met kinderen uit het buurhuis.

Wie zijn deze mensen? Hoe komen ze hier terecht? Hoe ziet hun levensgeschiedenis eruit? En hoe leven ze daar, maandenlang, in dat huis waar geen gewoon huishouden is te voeren? Ik besluit de inwoners van het huis te gaan portretteren, ik wil luisteren naar hun verhalen en ik wil de ervaringen van dit gevarieerde gezelschap opschrijven.

Helaas heb ik dit plan te laat bedacht: per 1 september blijken de nieuwe bewoners verhuisd te zijn. Het is niet zo erg, want hoe dan ook had ik nooit een integraal portret kunnen maken. Daarvoor wisselen de bewoners te snel, al blijven sommigen er heel lang wonen en zijn anderen al snel weer vertrokken. Verder dan een momentopname had ik toch niet kunnen komen, maar nu de meeste bewoners verhuisd zijn, is het enige wat mogelijk is een paar gesprekken met mensen die ik een beetje van de stoep ken. Ik maak een afspraak met twee vrouwen die wel met me willen praten, N en A. Ze hebben elkaar in het hotel leren kennen en ze kunnen het goed met elkaar vinden. In afwachting van hun urgentieverklaring wonen ze nu samen met hun kinderen in een ander huis. Ze hebben het daar gezellig met elkaar, ze eten samen, ze overleggen, en N spreekt A aan als ‘zuster’. Ze hebben in hun nieuwe huis een wasmachine, keukenvoorzieningen, en een ruim balkon als alternatief voor de stoep. Omdat de verdieping van alle gemakken is voorzien, moeten ze er wel geld voor betalen. Voor het hotel hoefde dat niet, maar daar moesten ze iedere avond buiten de deur eten, bij Mac Donalds en in Shoarma-tentjes.

Ik ga een paar keer koffie bij ze drinken en we praten over hun leven. Van buitenaf bekeken lijkt het alsof de bewoners van het buurhuis een groep vormen, alsof ze bij elkaar horen, elkaar kennen of op zijn minst over elkaars lotgevallen weten. Maar dat is allemaal schijn. Uit onze gesprekken blijkt dat de meesten het zo druk hebben met hun eigen leven, dat hun contacten met andere bewoners niet verder komen dan ‘Hoi, hoi’. Een enkele keer sluiten ze vriendschap, maar meestal praten ze nauwelijks met elkaar. Er zijn wel spanningen, meningsverschillen over hoe het leven geleefd moet worden. Een enkele keer is er ruzie, een paar keer zelfs met de politie erbij – wat ik niet gemerkt heb. De meesten hebben geen idee wat hun medebewoners hebben meegemaakt. Ze hebben genoeg aan hun eigen zorgen. Ze hebben verschillende leeftijden, verschillende religies en verschillende levensgeschiedenissen. Ze zitten nu in het zelfde schuitje, in een tussenperiode in hun bestaan. Ingesponnen in de verzorgingsstaat, zijn ze voortdurend in de weer om hun leven met een stoet aan begeleiders en contactfiguren, voorzieningen en subsidies weer op een zelfstandig spoor te krijgen. Ze begeven zich van de ene afspraak met een professional naar de volgende instantie, van een gesprek met een advocaat naar het ondertekenen van een document. Al die bureaucratische handelingen slorpen tijd en energie. Ze hebben er een dagtaak aan.

De verhalen van N en A lijken enigszins op elkaar, maar ondanks die overeenkomsten zijn ze toch heel verschillend. Een korte schets van hun levens geeft een beeld van de crisissituaties waarin zij terecht zijn gekomen, en hoe zij daar weer proberen uit te klimmen. Beide vrouwen zijn voor hun bruidegom naar Nederland gekomen, de ene uit Marokko, de andere uit Turkije. Alletwee trouwden ze met een man die familie van ze was. N is 38 jaar en is op haar 23e uit een klein provincieplaatsje naar Amsterdam gekomen, A kwam op haar 21e jaar, vanuit een grote wereldstad.

N had jarenlang een goed leven, gezellig. Haar man was een goeie man. Ze leerde Nederlands en ze haalde haar inburgeringsdiploma. Met haar eigen familie had ze alleen telefonisch contact. De meesten wonen in Marokko, ze heeft een zuster in Brussel, een broer in Spanje, en een zus in de Verenigde Staten. Haar leven kwam op zijn kop te staan, toen haar man een ernstig ongeluk kreeg, waardoor hij drie jaar lang was uitgeschakeld. Ze ging hem dagelijks opzoeken, en later verzorgde ze hem in hun huis. Maar daarna ging er iets mis, wat ze zelf niet goed kan begrijpen. Ze hadden nooit ruzie gehad, maar haar man wilde niet langer met haar samenwonen. Ineens blokkeerde hij zijn bankrekening, en hield hij de kinderbijslag voor zichzelf. Zijn broers spraken kwaad van haar en betichtten haar van hoerig gedrag. ‘Jij bent een vieze vrouw’, zeiden ze tegen haar. In deze periode krijgen haar man en zij voor de eerste keer ruzie.

Ze besluit dat ze officieel wil scheiden. Ze gaat een uitkering aanvragen en de rechter moet beslissen over hun huis. Wie mag er wonen: haar man of zij met haar kind? Eerst heeft ze een Marokkaanse advocaat, aan wie ze niets heeft. De beslissing valt in het voordeel van haar man uit. Inmiddels heeft ze een nieuwe advocaat, die zegt dat hij zoiets nog nooit heeft gehoord en die denkt dat de Marokkaanse advocaat op de hand van de familie van haar man is. N denkt dat zij azen op de schadevergoeding die aan haar ex-echtgenoot vanwege zijn ongeluk is toegekend. De familie heeft ook de Kinderbescherming gebeld en kinderbeschermers hebben een onderzoek ingesteld. Ze zijn op school geweest, maar kregen alleen positieve geluiden te horen. Ze verzorgt haar dochter goed. Die dreiging is dan ook afgewend.

Verstoten door haar schoonfamilie gaat N naar de GGD, waar een hulpverlener haar vraagt of ze niet terug kan gaan naar Marokko. Nee, dat kan niet volgens haar. Haar dochter is in Amsterdam geboren en gaat hier naar school. Wat er ook gebeurt, haar dochter blijft bij haar. Als er voor haar en haar dochter geen plek is in de crisisopvang, gaan ze wel in haar auto gaan slapen. In totaal is ze vier keer verhuisd: van de Crisisopvang Hulp voor Onbehuisden, naar Alexandria, naar het hotel en nu op de tijdelijke verdieping.

N is optimistisch over de toekomst. Over twee weken hoopt ze een urgentieverklaring te krijgen, en dan wil ze eerst een goed huis, waarvoor ze allerlei spullen zal moeten aanschaffen; daarna een goede man, en ze wil graag kapper worden en daarvoor cursussen volgen. Ze wil niet meer in haar oude buurt wonen, te dichtbij haar oude huis en haar ex-man. Ze noemt zichzelf een sterke vrouw, die haar leven zelf kan regelen, en ze wil een voorbeeld voor haar dochter zijn. In de vakantie zijn ze samen naar de Efteling geweest en naar Artis. Ze wil haar eigen huis goed in orde hebben en sluit zich af voor de buitenwereld. Waar ze woont kan haar niet zoveel schelen, maar voor haar dochter wil ze niet teveel buitenlanders. Ze heeft door de week een druk programma voor haar kind georganiseerd, met veel sport en regelmaat. In het hotel zaten vrouwen die hun kinderen lieten spijbelen, maar dat gebeurt bij haar niet. Ze wil ervoor zorgen dat haar dochter krijgt wat zij zelf niet heeft gehad, en school is daarin belangrijk. Ze is heel precies met de regels die ze haar dochter oplegt. Één keer per week in de speeltuin spelen – dat is genoeg, niet steeds nieuwe dingen aan haar geven. Wel heeft ze haar een iPhone beloofd als ze goede cijfers haalt. Haar dochter is een beetje moeilijk geworden. Ze heeft rust nodig.

A is tien jaar jonger, maar ook zij is door haar schoonfamilie verstoten. Tussen twee afspraken door vertelt ze me in hoog tempo hoe haar leven is verlopen. Ze is geboren in Istanbul, waar ze receptiewerk op een vliegveld deed en waar ze twee jaar Economie studeerde aan de Eskehir Universiteit. Voordat ze naar Nederland kwam heeft ze in Turkije een cursus Nederlands gevolgd, die ze heeft afgesloten met een examen en een diploma. In Amsterdam trok ze bij haar bruidegom en diens familie in: haar schoonouders en haar schoonzus. De familie is lief, maar A is er niet gelukkig. Ze voelt zich geïsoleerd, ze is niet gewend aan een huisvrouwenbestaan. Ze zou vaker alleen met haar man willen zijn, niet altijd met de familie erbij. Ze had een eigen huisje met hem willen hebben, rustig samen. Hij zei: ‘OK’, maar hij deed niets om dat te bewerkstelligen.

Dan raakt ze zwanger, net als haar schoonmoeder die een nakomertje krijgt. Maar tijdens die zwangerschap krijgt ze overal pijn. De dokter denkt eerst dat het psychisch is, haar man denkt dat ze zich aanstelt, maar zelf verzet ze zich tegen het idee dat haar klachten psychisch zijn. Vanwege de zwangerschap is medisch onderzoek moeilijk, maar toch komt er na enige tijd een fysiek ziektebeeld naar voren. Haar kind moet nu vervroegd geboren worden en zelf krijgt ze zware medicijnen. Na vier jaar intensief kuren voelt ze zich weer goed. Ze ziet in de krant een cursus Nederlands aangeboden en hoewel haar man het er niet mee eens is, gaat ze die wel volgen. Ze leert er veel en moet aan het eind een stage lopen, om het Nederlands te prakkizeren. Ze komt terecht bij Albert Heijn en heeft het daar reuze naar haar zin. Ze leert veel van de manager. Ze begint bij vakkenvullen en krijgt al snel moeilijkere taken. Als het halve jaar om is, krijgt ze een certificaat. Ze zou graag nog wat langer blijven werken, maar de manager zegt: ‘Nee, je Nederlands is niet goed genoeg’. Maar dat is een grapje. Hij heeft een contract van een jaar voor haar klaar liggen.

Op een dag zegt haar man: ‘Ik wil met je praten, ik houd niet van je, ik voel niets voor jou.’ Ze is volkomen uit het veld geslagen, maar als ze vraagt waar ze dan heen moet, zegt haar schoonmoeder: ‘Naar Turkije’. Haar schoonmoeder en haar man bellen naar haar familie in Istanbul en zeggen dat zij zelf weg wil en dat ze een slechte vrouw is. A vraagt of ze even met rust gelaten kan worden zodat ze kan nadenken hoe alles verder moet, maar daar krijgt ze geen tijd meer voor. Haar schoonmoeder wil haar niet meer zien en zet haar uit huis. A pakt haar tas en haar zoontje en overstuur gaat ze de straat op. Daar komt ze de buurvrouw tegen, een vriendin van haar schoonmoeder, die haar man al van jongs af aan kent en die met hem probeert te praten. Maar dat werkt niet. Hij zegt: ‘neem jij A maar mee’. Ze kan bij de buurvrouw een nacht slapen, maar daarna moet ze zelf op pad en gaat ze naar de GGD. En zo komt ze van de ene in de andere crisisopvang, en komt ze in het hele regelcircuit dat daarbij hoort. De echtscheiding moet worden geformaliseerd, ze moet een eigen bankrekening, ze moet een verblijfsvergunning op haar eigen naam. Maar net als N is ze wel bezig om haar leven weer op de rails te krijgen. Geleidelijk lukt het haar om alle formaliteiten te regelen, en ze wil een gevorderde cursus Nederlands volgen, met meer grammatica. Ze wil nog een stage lopen en ze wil werken.

In beide levens vormt de immigratie naar Nederland een scherpe breuk in hun bestaan. Een losmaking van de banden met hun eigen familie en met hun eigen kring; een invoeging in hun schoonfamilie, in een vreemd land en een vreemde stad. Beide vrouwen kwamen in een geïsoleerde positie terecht, de ene in het huis van haar schoonfamilie en door hen sterk in haar bewegingsvrijheid beperkt; de andere wel samen met haar man, maar met de schoonfamilie zeer aanwezig op de achtergrond. Beiden hebben ze een tweede breuk in hun bestaan: verstoting door hun schoonfamilie, waarbij voor de een het ongeluk van haar man de opmaat was. Maar beide vrouwen zijn voldoende ingeburgerd om hun eigen weg in Nederland te zoeken, en alletwee willen ze dat hun kind hier opgroeit.

Hun verhalen zijn typisch voor deze tijd. Ondanks de breuken in hun leven, zijn het emancipatieverhalen, waarin ze losraken van knellende familiebanden en kans zien om de mogelijkheden van vrouwen in Nederland te benutten en een zelfstandig leven op te bouwen. Typisch voor deze tijd is ook, dat ze in hun crisissituatie buren krijgen die ze anders niet zo snel ontmoet zouden hebben.

Eigenlijk geldt dat voor iedereen. Ook al zijn er verschillen tussen buurten en plaatsen, niemand kan meer een strikt geïsoleerd leven leiden, kan zich meer helemaal afschermen van mensen uit andere kringen en andere landen. En dan gaat het niet alleen over de media die de wereld bij je thuis brengen, maar ook om fysieke ontmoetingen. Zelfs de meest homogene buurten kunnen zich daaraan niet onttrekken. Vroeg of laat, kort of lang, zal iedereen geconfronteerd worden met mensen die heel andere dingen hebben meegemaakt dan zijzelf. Je buren leren kennen is een manier om met die verschillen om te gaan.

3 thoughts on “Overal nieuwe buren

  1. Indrukwekkend en goed geschreven. Voel me een béétje ongemakkelijk erover. Woon er recht tegenover én had geen benul.

  2. Hallo Rineke,
    Dank voor je mooie verhaal. Het roept ook herinneringen op. Toen ik in deze straat kwam wonen in 1977 waren er panden door de gemeente gehuurd voor Surinaamse mensen die na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen. We hadden toen veel contact met deze buren en vooral de kinderen. Ik heb toen feestjes en verkleedpartijen georganiseerd. Mooie herinneringen, maar in een tijd die wel anders was.
    Immeke Sixma, No 49 hs

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s