Home

De digitale revolutie heeft het leven van mensen ingrijpend veranderd. Het heeft ze veel gebracht, maar heeft ook verwachtingen gewekt die nooit vervuld zullen worden, niet in het westen en niet daarbuiten. Over dat laatste gaat The Next Billion Users. Digital Life Beyond the West (2019), geschreven door Payal Arora. Zij is in India opgegroeid, heeft gestudeerd aan de universiteiten van Harvard, Columbia en Cambridge, en werkt tegenwoordig als hoogleraar Technology, Values & Global Media Cultures aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ze heeft een kleine twintig jaar onderzoek gedaan naar het gebruik van computers en internet in niet-westerse landen, onderzoek met een sterk antropologische inslag.

The Next Billion Users beslaat een breed terrein, maar een groot deel gaat over technologische innovatie in het onderwijs, onder andere als manier om armoede te bestrijden. Een reeks projecten komt langs: Hello World, met internet kiosken in Nigeria en Uganda, die jonge mensen uit hun isolement zouden halen; One Laptop per Child van MIT’s Media Lab, een organisatie die met overheden samenwerkt en die 2,4 miljoen laptops over arme gebieden heeft verspreid; Design Education For You in Bangalore, een van de zoveel ontwikkelingsprojecten die door slimme onderwijstechnologie en door onderwijsapps onderwijzers overbodig willen maken. Geef kinderen een computer of een smartphone en ze kunnen zichzelf onderwijzen – dat is het achterliggende idee. Scholen zouden achterhaalde, archaïsche instellingen zijn, die de ontwikkeling van jonge mensen eerder blokkeren dan stimuleren.

Payal Arora laat weinig van deze ideeën heel. Haar onderzoek naar de digitale praktijken van jonge mensen – onder andere in de Himalaya, India, Namibië – geeft een heel ander beeld. Allereerst ontkracht ze het idee dat armen een bijzonder soort mensen zouden zijn, met bijzondere verlangens en vermogens, steeds ijverig gericht op de verwerving van nuttige en praktische kennis; of het idee dat jonge mensen zich als moderne verlichtingsfilosofen op de computers zouden storten, hongerend naar kennis. De jongeren die zij onderzocht gebruiken hun mobiele telefoons net als jongeren elders: om contact te maken, om praktische en zakelijke dingen te regelen, zich te informeren en geld over te maken; om zich in een wijdere wereld te oriënteren, ook in gebieden waar ze nooit zijn geweest en waarschijnlijk nooit zullen komen. De jongeren steken veel energie in de profilering van hun eigen zelf. Ze willen zich zo goed mogelijk aan de buitenwereld presenteren. Daarbij kunnen ze zich online meer permitteren dan offline. Jongens en meisjes die elkaar in India niet zomaar zouden mogen aanspreken, kunnen dat op het internet ongestoord doen. ‘Ik kan me mijn leven zonder Facebook niet voorstellen’, zo zegt een jonge man uit India. Online komen ze er voor uit dat ze in een slum wonen, en op die manier maken ze armoede een onderdeel van hun identiteit. Spel en plezier vormen de kern van hun digitale interacties. Ze vinden het leuk om spelletjes te spelen, ze snakken naar contact, ook met mensen die ze niet kennen, ze zijn seksuele wezens die ook plezier aan porno beleven. De door overheden gesubsidieerde cybercafé’s, bedoeld om mensen aan hun toekomst te laten werken, functioneren in de praktijk als een soort sociëteiten. Om naar muziek te luisteren, naar films te kijken en te fotoshoppen.

Al die internetgebruikers hebben voor al dat moois veel over, en ze verzinnen creatieve oplossingen om de slechte technologische infrastructuur en hun gebrekkige materiële middelen te ondervangen. Met illegale Wi-Fi netwerken in de Ivoorkust, met apps zoals Nimbuzz die ontworpen zijn om toegang tot het internet te krijgen, door telefoontoestellen met elkaar te delen en hun SIM-kaarten te verwisselen. Internetgebruikers in niet-westerse landen hebben te kampen met slechte bereikbaarheid en ze beschikken niet zomaar over elektriciteit. Maar hun behoefte aan digitale middelen maakt hen handig en slim, en dat geeft hun het imago van digitale genieën. ‘Jugaad’ is het woord voor hun improvisatievermogens. Deze next billion users staan volop in de belangstelling van tech-bedrijven, die hen voor experimenten gebruiken en voor wie ze een onbegrensde markt vormen.

Arora besteedt veel aandacht aan het ‘Hole-in the-Wall’ experiment van Sugata Mitra. Die plaatste computers in een openbare ruimte in een slum in New Delhi, om te bekijken wat kinderen met die computers zouden doen. Tot zijn verbazing bleken ze er zonder enige instructie mee aan de slag te gaan en er spelletjes op te spelen. ‘The unsupervised child becomes the teacher.’ Dat idee vormt de basis van veel technologische onderwijsvernieuwing. Spel en informeel leren worden dan aan elkaar gelijkgesteld, spel zou een vrijheid in leren en denken geven die school al generaties lang aan de armen ontzegt.

Mitra heeft verschillende prijzen gewonnen, heeft TED-talks gehouden, en zijn retoriek blijkt een grote aantrekkingskracht te hebben en veel navolging te krijgen. Toch blijkt er met het project van Mitra van alles mis te lopen, zo demonstreert Arora. De computers bleken niet meer te werken, alleen de sterke jongens kwamen aan de beurt, en meisjes kregen sowieso geen tijd om met de computers aan de slag te gaan, moeders klaagden dat hun kinderen spelletjes speelden in plaats van naar school toe te gaan. Overheidsgeld dat anders aan het onderwijs zou worden besteed, ging nu naar de computerexperimenten. Arora verwijt mensen zoals Mitra dat ze de kinderen als onbeschreven blad bekijken en dat ze hen in een sociaal vacuüm plaatsen. Het lijkt alsof ze geen enkele volwassene om zich heen hebben, niemand die hun iets kan leren of die hen kan inspireren. In de evaluaties van Mitra’s experimenten is geen ruimte voor de gemeenschap waarin de kinderen opgroeien, noch voor de rol van scholen en leerkrachten.

Het idee dat kinderen zich vanzelf ontwikkelen wanneer ze met laptops en mobiele telefoons kunnen werken is een hardnekkig misverstand, dat ondanks negatieve evaluaties blijft bestaan. Wie het falen van deze ideologie aan de orde stelt, diskwalificeert zichzelf als onwetend en conservatief. De associatie met Silicon Valley en met het grote geld, roept de suggestie op dat technologische vooruitgang wonderen kan bewerkstelligen. Dat maakt investeringen in technologische onderwijsinnovatie aantrekkelijk, voor high-tech filantropen, voor bedrijven zoals Siemens, voor instellingen zoals De Wereldbank, en voor reeksen NGO’s. Zij kiezen voor de grote greep, eerder dan voor de kleine, weinig spectaculaire stapjes die inherent zijn aan de sociale hervormingen die bijvoorbeeld in het onderwijs plaatsvinden. De projecten worden particulier gefinancierd, maar de publieke sector voert ze uit en draagt bij falen de risico’s.

Arora’s conclusie is dat kinderen meer dan alleen een computer nodig hebben om kennis te verwerven. Ze ontwikkelen zich in interacties met anderen, met leeftijdgenoten en met volwassenen, liefst met volwassenen die kunnen lesgeven, die iets weten van de ontwikkeling van kinderen, van didactiek, en ja, liefst ook van technologie. Anno 2020 moeten kinderen waar ook ter wereld de gelegenheid krijgen om digitale middelen te gebruiken, als bron van kennis, plezier en contact. Het boek van Arora demonstreert het belang van kennis en inzicht in hun digitale leven.

Ook in het westen is daarover onvoldoende bekend, ook daar bestaan onrealistische verwachtingen van wat digitalisering in het onderwijs vermag. Er zou meer experimenteel onderzoek moeten komen naar de plaats van digitale praktijken in de ontwikkeling van kinderen, op school en daarbuiten. Om onrealistische verwachtingen te temperen, maar ook om na te gaan waar de beperkingen liggen van kinderen en hoe hun digitale kennis en vaardigheden kunnen worden uitgebreid; om na te gaan welke plaats digitale middelen in het onderwijs innemen en hoe dat kan worden verbeterd. Ook kan onderzoek naar het digitale leven van kinderen laten zien op welke punten ze onvoldoende digitaal-straatwijs zijn en welke risico’s ze lopen. Computers, laptops, mobiele telefoons zijn vanuit de informele sfeer in het onderwijs terecht gekomen en het is niet zonder meer gezegd dat leerkrachten er handiger in zijn dan leerlingen. Maar digitale handigheid kan misleidend zijn, en onderwijs moet leerlingen meer bieden dan dat. Computers en het internet zijn een van de zoveel bronnen van oriëntatie waarvan opgroeiende kinderen gebruik maken. Om ze te leren hoe ze dat het beste kunnen doen – daar ligt een rol voor docenten.

Payal Arora 2019, The Next Billion Users. Digital Life Beyond The West. Cambridge, Massachusetts, en London, Engeland: Harvard University Press.

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s