Home

Werk heeft een centrale plaats in ons leven. Het neemt een groot deel van onze tijd in beslag, het geeft ons een identiteit en een maatschappelijke positie. De journalist Anna Lillioja raakte erdoor gefascineerd, en ze schreef er een boek over: Waarom werken we?. Daarin verwerkt ze een bonte collectie impressies van de zorgen en problemen van werken in deze tijd, en ze onderzoekt de manieren waarop mensen daarmee omgaan.

Lillioja neemt deel aan een workshop over dromen, en daar merkt ze dat werk voor velen een bron van angsten is. De deelnemers dromen over deadlines die ze niet kunnen halen, ambities die niet zijn waar te maken, over te laat komen en niet gezien worden. ‘Elke samenleving krijgt het onderbewuste dat zij verdringt’, zo zegt de psychoanalyticus van de workshop. Lillioja trekt zich met anderen terug in een klooster, niet voor een loopbaantraject maar voor bezinning. En ook daar blijken de zoekenden zich bij gebrek aan religie vooral te verdiepen in kwesties die met hun werk samenhangen. Wat dragen ze met hun werk aan de wereld bij?

Voor veel mensen die Lillioja heeft gesproken ligt de zin van hun leven in hun werk. Daaraan ontlenen ze hun identiteit en hun eigenwaarde. Dat is bijvoorbeeld het geval met de conducteur van de spoorwegen die het betreurt dat uniformen aan belang hebben verloren. Vroeger was zijn uniform voor hem een bron van trots. Het liet zien dat hij deel uitmaakte van de spoorfamilie, het gaf hem een identiteit en het stond voor vakmanschap, vertrouwen en taakverdeling.

Bij het zittende werk achter de computer hebben problemen van identiteit en zingeving weer andere gedaanten. Daar worstelen werkenden ermee dat moeilijk is te achterhalen wat er uit hun vingers komt. Anders dan bij naaien, koken of timmeren zijn de producten van hun werk niet tastbaar, en dan dient de vraag zich aan waar al dat werk eigenlijk goed voor is. Kan het niet net zo goed gemist worden? Daarom vinden mensen die met abstract werk de kost verdienen het zo aantrekkelijk om fysiek te klussen. Dat maakt ten minste zichtbaar wat ze doen. ‘Bouwvakker spelen’ noemt Lillioja deze handelingen.

Eerder portretteerde Anna Lillioja mensen aan het werk, voor de nieuwssite Nu.nl. Daarvoor maakte ze meer dan veertig interviews, en ze richtte zich op bijzondere beroepen. Zoals een vertaler van kinderboeken, iemand die kamers per uur verhuurt, een illusionist, een ademcoach, een matrassentester. Ook nu kiest ze voor uitzonderlijke plekken en situaties, omdat ze daar mensen verwacht aan te treffen met een onconventionele blik en nieuwe perspectieven op werk. Ze hoopt dat ze daar gemakkelijker los kan komen van haar gewone manier van denken. Wat hebben de gevangenis, de zelfscankassa, dieren, haar naaimachine of de dood haar over werk te vertellen, zo vraagt ze zich af.

Anna Lillioja werkt associatief en ze bestrijkt een terrein dat zo breed is, dat ze het alleen impressionistisch kan benaderen. Ze beschrijft waarnemingen, ze combineert een stukje interview met persoonlijke ervaringen, gevoelens en overwegingen. Haar werkwijze is niet gemakkelijk te karakteriseren. Zonder wetenschappelijke ambities vertelt ze haar eigen verhalen, en alleen terloops zoekt ze aansluiting met bestaande literatuur of bestaande discussies. Ze trekt erop uit naar bijzondere settings, ze neemt deel aan workshops, ze praat met mensen, en zo valt ze van de ene reportage in de volgende. Saai wordt het nooit, en door haar impressionisme slaagt ze erin om een veelheid aan zware, vaak onderzochte onderwerpen luchtig en terloops aan te stippen. Maatschappelijke kwesties zoals de scheiding tussen hoofd en hand, de balans tussen werk en privé, de achterkant van de meritocratie, de digitalisering van werk en samenleving, opleidingen en maatschappelijke ongelijkheid, ze flitsen even kort langs. Ze verrast de lezer met interessant strooigoed over belangrijke, actuele onderwerpen, zonder dat ze op zoek is naar samenhang. Haar werkwijze maakt haar steeds nieuwsgierig en zet haar steeds weer op een ander spoor.

Wat ik over werken leerde van dieren, dromen en de dood’ – dat was een van de mogelijke titels die Lilloja eerder overwoog. Het zou een goede typering van het boek zijn geweest, maar uiteindelijk werd het Waarom werken we. Die vraag naar de motieven om te werken vind ik belangrijk en urgent in een wereld waarin digitalisering en automatisering niet alleen de belofte van veel vrije tijd in zich dragen, maar ook de dreiging van overbodigheid. Op het eerste gezicht lijken we een utopische toekomst tegemoet te gaan nu robots en AI de homo ludens dichterbij hebben gebracht. Maar in de reacties op AI blijkt de angst om niet langer nodig te zijn de toekomstvisioenen te domineren. Lillioja heeft gelijk dat we door al die technologische innovatie niet minder zijn gaan werken, maar de snelle innovaties leiden wel tot grote verschuivingen in onze dagelijkse werkzaamheden en wie computeriseerbaar werk doet loopt de kans ontslagen te worden. Voor wie belangstelling heeft voor werk bieden deze transformaties een onafzienbaar onderzoeksterrein. Lillioja verdiept zich in een hoekje daarvan en ze gaat te rade bij David Abbink, iemand die robotica en sociaal-wetenschappelijk onderzoek combineert. Abbink wil geen ‘tech-gedreven innovatie’, hij streeft ernaar om werkprocessen te verbeteren. Het is een interessant, maar kort intermezzo, dat zich goed leent als onderdeel van een breder en meer systematisch onderzoek naar de sociale en psychische consequenties van digitalisering en automatisering.

Halverwege de 19e eeuw gaf Friedrich Engels een voor de hand liggend antwoord op de vraag waarom arbeiders werkten: ze werkten voor het geld dat ze ermee verdienen. Dat aspect van werken komt in Lillioja’s boek nauwelijks ter sprake. Toch biedt ook dat een voor de hand liggende ingang om verder uit te werken. Je zou bijvoorbeeld een extra hoofdstuk kunnen toevoegen met de titel ‘Wat kunnen we over werk leren van mensen die niet voor de kost hoeven te werken of kunnen werken?’ Lillioja’s passages over de bajes zouden daarin passen. Daarin demonstreert ze welke betekenis werken voor gedetineerden heeft. Naast wat zakgeld geeft werk hun zelfvertrouwen, eigenwaarde en een arbeidsethos, en hun werk kan als opstapje dienen voor het leven buiten de gevangenis. Het zou interessant zijn om te onderzoeken hoe andere mensen die niet voor het geld hoeven te werken hun vrijgestelde leven ervaren. Zij zijn goede bronnen om meer te weten te komen over de motieven om te willen werken of dat juist niet te willen. Keith Thomas citeert een bijzonder geval in The Oxford Book of Work (1999: xix). een kamermeisje dat winnaar werd van de nationale loterij, en dat ondanks haar kleine loon toch bleef doorwerken. ‘I love my job, and life wouldn’t be the same without it’, zo zei zij.

Over het werkeloze leven van mensen die uit het arbeidsproces zijn gevallen, zoals zieken, gepensioneerden of werklozen, valt natuurlijk veel meer te zeggen. Bijvoorbeeld over de vraag wat ze als een gemis of een zegen ervaren. Wat betekent het voor hen om niet dagelijks naar kantoor te gaan, om te leven zonder collegiale contacten? Wat missen ze en wat doen ze in de vrijgekomen tijd? Zitten ze thuis, doen ze vrijwilligerswerk of een hobby? Werken ze gewoon door, en beleven ze daar nog plezier aan? Werken ze uit gewoonte of weten ze niets beters te doen? Wat blijft er zonder werk van hen over, van hun identiteit en hun sociale leven? Werken is in alle verscheidenheid een onuitputtelijke onderzoeksbron. De drie kernvragen van de sociologie, zoals geformuleerd door Joop Goudsblom, kunnen een perspectief en een leidraad geven: wie doet wat, wie hoort bij wie en wie staat boven wie.

Anna Lillioja 2025, Waarom werken we? Amsterdam: Hollands Diep. (ISBN 978 90 488 6968 8)

Keith Thomas (ed.) 1999, The Oxford Book of Work. Oxford: Oxford University Press.

Leave a comment