Home

De verbinding tussen denken en doen

Rineke van Daalen

De scheiding tussen hoofd en handen was een van de belangrijkste rode draden in mijn boek over het vmbo-onderwijs, Het vmbo als stigma (2010). Daar ligt volgens mij de oorsprong van de lage waardering van het (v)mbo en de (v)mbo’ers. Leerlingen die zich schoolden voor een beroep vielen buiten de eerste wetgeving op het middelbaar onderwijs (1863). Voor zulke scholing moesten ze naar werkplaatsen en bedrijven, en voor zover ze daarbij theorie nodig hadden moesten ze naar aparte avondscholen. Zo kreeg het beroepsonderwijs een buitenstaanderspositie, die vanaf de invoering van de wet bleek te schuren. Sindsdien is steeds geprobeerd om het beroepsonderwijs te integreren in het middelbaar onderwijs, maar echt gelukt is dat niet. De meest recente poging was de instelling van het vmbo in 1999.

De scheiding tussen hoofd en handen is diep verankerd in ons denken en in onze cultuur. Die scheiding staat voor iets breders, voor de scheiding tussen lichaam en geest, en tussen denken en doen. In het onderwijs zijn daar op alle niveaus de sporen van zichtbaar: in het inhoudelijk uit elkaar trekken van theorie en praktijk, en van algemeen vormend en beroepsmatig onderwijs. Die tweedeling draagt steeds een waardering in zich: theorie wordt hoger gewaardeerd dan praktijk, algemeen vormend onderwijs hoger dan praktisch. De tweedeling is een belangrijk organisatieprincipe in de geschiedenis van het middelbaar onderwijs. Zoals in de opbouw van het middelbaar onderwijs, of in de onderwijstrajecten van het vmbo waar ook weer onderscheid wordt gemaakt tussen theoretische en praktische leerwegen.

De kunstmatige scheiding tussen theorie en praktijk heeft op verschillende niveaus negatieve gevolgen. Kinderen worden op hun twaalfde jaar voor verschillende typen onderwijs geselecteerd, waarbij het vmbo als tweede keus wordt gepresenteerd. Het gevolg is dat vmbo’ers vaak kampen met een laag zelfbeeld. Ze zien zichzelf dan als tweederangs scholieren die het vwo niet hebben weten te bereiken. Na de selectie krijgen ze smalle curricula aangeboden, al bestaat er voor sommigen gelukkig de mogelijkheid om het ingeperkte schooltraject door stapelen te verbreden. Dat vmbo’ers na de basisschool vaak ook fysiek van havisten en vwo’ers worden gescheiden, leidt tot segregatie. Ze komen elkaar minder vaak tegen, ze gaan minder vaak met elkaar om.

Op een onderwijsdag van de Gomarus Scholengemeenschap, in januari 2025, boog een aantal docenten zich in een workshop over de vraag hoe ze denken en doen op hun school beter met elkaar zouden kunnen verbinden. De school bestrijkt het hele spectrum aan middelbaar onderwijstypen, van vmbo tot vwo.

Wat opviel was dat ‘de scheiding’ voor alle docenten een herkenbaar probleem bleek te zijn, én dat ieder daar een eigen invulling aan gaf, met een grote variatie in suggesties voor verandering. Een docent techniek wees erop dat ook techniek niet zonder lezen kan. Hij vroeg zich af hoe je leerlingen in de techniek ertoe kunt brengen om zich ook bezig te houden met de theoretische kant van de techniek. Hoe kan je de theorie beter in de lessen integreren, hoe krijg je de leerlingen, die vaak slecht kunnen lezen, tot het lezen van instructies? Het omgekeerde probleem deed zich voor in de algemeen vormende onderwijstypen, havo en vwo, waar leerlingen geen idee hadden over beroepsmogelijkheden. Docenten wilden hun wereldvreemdheid verminderen door ze meer handmatig onderwijs te geven en door ze in contact te brengen met mbo-scholen. Havisten op het Gomarus kregen om die reden een dag in de week de gelegenheid om lessen op het mbo te volgen, in een richting die hen interesseert. Met dat experiment zat de school op één lijn met het SER-advies uit 2013: Handmade in Holland. De SER ging zelfs nog een stap verder en vroeg ook om meer aandacht voor praktische kwaliteiten in het basisonderwijs.

Veel suggesties gingen over de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de kinderen. ‘Zorg dat alle leerlingen positief benaderd worden’, zei een docent die kookles gaf. ‘Maak hun eigenwaarde en motivatie groter, laat hen zien wat ze wél kunnen’. Geef ze de mogelijkheid om zich per vak op hun eigen niveau te ontwikkelen – om bijvoorbeeld te excelleren in wiskunde en matig te scoren op de talen.

Vakdocenten zouden inhoudelijk beter met elkaar moeten samenwerken. In projectweken bijvoorbeeld of door kruisverbanden tussen vakken aan te brengen. Zo zouden vmbo’ers in de Engelse of Nederlandse les presentaties over hun stage kunnen houden. Leerlingen hebben dan meteen een goed onderwerp voor een spreekbeurt, ze kunnen een persoonlijk verhaal vertellen, ze krijgen extra instructies van de docenten Engels en Nederlands, en de buitenwereld wordt de school binnengehaald. Meer ervaringen in de praktijk – dat was een suggestie die op alle niveaus terugkwam. Dat type ‘ervaringsleren’ doet een beroep op een breed scala aan vermogens van leerlingen. Ze krijgen meer autonomie, meer verantwoordelijkheid, ze ontwikkelen een breed scala aan sociale vaardigheden, ze moeten een groter beroep op hun creativiteit doen en ze leren verbanden te leggen die ze in een schoolse omgeving minder snel hadden opgemerkt.

Je kunt deze probleemanalyses en suggesties als los zand bekijken, en je afvragen hoe je op basis van deze potpourri ooit tot een samenhangend beleid kunt komen. Je kunt ook uitgaan van een gemeenschappelijke noemer, in dit geval de scheiding tussen theorie en praktijk. Dat deze problematiek voor een willekeurige groep docenten zo gemakkelijk herkenbaar is, wijst erop dat ze in hun dagelijkse schoolleven op een of andere manier met de kunstmatige scheiding tussen denken en doen worden geconfronteerd. Ze kunnen er weinig aan veranderen, maar sommigen van hen blijken er wel mee te experimenteren – zie op het Gomarus de havisten die een mbo-school gaan bezoeken. Ze sluiten daarbij aan bij het SER-advies uit 2013 en bij de versterking van het mbo in de tijd dat Robbert Dijkgraaf minister van onderwijs was in het vierde kabinet van Rutte.

Het ministerie van onderwijs zou meer kunnen doen met zulke experimenten. Het zou een faciliterende rol kunnen spelen in het delen van probeersels en vernieuwende ideeën, onder andere door de instelling van een platform. Andere scholen zouden daar hun voordeel mee kunnen doen en beleidsmakers zouden daarvan gebruik kunnen maken in interactie met het veld en bij het formuleren en uitvoeren van toekomstig beleid.

Leave a comment