Home

 

Net als vorig jaar is De Staat van het Onderwijs voorpaginanieuws. De cijferlijst voor 2017 valt wel mee: ‘Nederlandse leerlingen ronden gemiddeld goedopgeleid hun schoolloopbaan af, leerlingen met een diploma op mbo, hbo of universitair niveau vinden snel een baan op hun eigen niveau, en vergeleken met andere landen is er een goede aansluiting met de arbeidsmarkt. Maar toch maakt de Inspectie van het Onderwijs zich zorgen over de stand van het Nederlandse onderwijs. Als je over een termijn van twintig jaar kijkt zijn de gemiddelde prestaties van Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs achteruit gegaan, nog steeds komen er leerlingen met taal- en rekenachterstanden van school; het percentage laaggeletterden is gestegen, toptalenten ontwikkelen zich minder goed, terwijl last but not least ook op het gebied van beweging, cultuur, natuur, techniek, sociale vaardigheden en burgerschapskunde onvoldoende vorderingen worden geboekt. Die hele opsomming is zorgelijk, te meer omdat prestaties in het buitenland de afgelopen decennia wél zijn gestegen. Nederland behoort daardoor niet langer tot de top, maar tot de subtop.

Die verslechtering kan veel verschillende oorzaken hebben. Misschien zijn het de relatief lage investeringen in het Nederlandse onderwijs (Herman van de Werfhorst), maar dan is het de vraag of dat investeringsverschil met andere landen de afgelopen twintig jaar groter is geworden. Misschien ligt het aan een te grote werkdruk en worden leerkrachten met te veel extra taken en nieuwlichterij opgescheept, of ligt het aan onvoldoende gekwalificeerd personeel. of aan een combinatie van dat alles. Ervaringsdeskundigen, bestuurders en wetenschappers hebben een veelheid aan verklaringen genoemd.

Een aantal van deze oorzaken is ook in het inspectierapport te vinden, maar daarin ligt de nadruk op het gebrek aan ambitie dat op scholen is aangetroffen. ‘Alarmerend gebrek aan ambitie bij scholen’, zo luidt een kop in de NRC (11/4/18). Die conclusie vloekt met wetenschappelijke bevindingen en met eigen ervaringen. Wie om zich heen kijkt, wie kinderen of kleinkinderen in de schoolgaande leeftijd heeft, wie naar de televisieserie De luizenmoeder kijkt, ziet iets heel anders: de prestatiedruk en de ambitie op scholen zijn juist enorm toegenomen. In haar net uitgekomen boek, De bijlesgeneratie (2018), laat Louise Elffers zien hoe zwaar ouders het opnemen als hun kind dreigt achter te blijven. Elffers analyseert de opkomst van de bijlesindustrie, die is opgezet om kinderen te ondersteunen bij het behalen van een zo hoog mogelijk diploma. Ze laat zien dat aan deze rat race bijna niet valt te ontkomen. De groei van de bijlesindustrie is indrukwekkend. Ouders besteden tegenwoordig 186 miljoen Euro aan bijles, tegenover 26 miljoen twintig jaar geleden. Elffers citeert Jan Peter Balkenende die bij de opening van het Academisch jaar in 2007 de mentaliteit van middelmatigheid hekelde, de beruchte zesjescultuur van het Nederlandse onderwijs. Die cultuur hebben we inmiddels lang en breed achter ons gelaten, zo concludeert zij.

De inspectie schetst een ander beeld. Leerkrachten, schoolleiders en bestuurders zouden tevreden zijn als ze de minimumstandaard hebben bereikt. Het ontbreekt hen volgens de inspectie aan een gevoel van urgentie om over dat minimum heen te gaan en het streefniveau als doelstelling aan te houden. Als dat waar is dan zou dat betekenen dat er een groot verschil is tussen aan de ene kant zeer ambitieuze ouders en leerlingen, en aan de andere kant schoolpersoneel en de schoolbestuurders die met zesjes genoegen nemen. Maar deze tegenstelling is onwaarschijnlijk. De ambities van leerkrachten en scholen ontwikkelen zich immers in wisselwerking met die van ouders die naar het hoogste reiken. Als er op school nog steeds een zesjescultuur heerst sturen ouders er hun kinderen liever niet naartoe.

Een ander punt waarover de inspectie zich bezorgd toont is al meer dan een halve eeuw de spil van het onderwijsbeleid: de kansenongelijkheid in het onderwijs. Die ongelijkheid is inderdaad toegenomen. Brede brugklassen zijn ongeveer verdwenen, de categorale gymnasia bloeien, het stapelen van opleidingen is beperkt. En bijlessen en andere vormen van schaduwonderwijs maken de kansenongelijkheid nog groter. Deze nieuwe vormen van onderwijsongelijkheid gaan gelijk op met de toename van maatschappelijke ongelijkheid in het algemeen.

De inspectie is vooral bezorgd over de toenemende sociaal-economische segregatie als bron van die ongelijkheid, naast het lerarentekort dat groter is naarmate de leerlingpopulatie uit lagere sociale klassen afkomstig is. Deze ontwikkelingen zijn inderdaad zorgwekkend en ze versterken de al bestaande ongelijkheid. Maar het blijft de vraag waarom de zorgen van de inspectie zich tot deze relatief nieuwe kwesties beperken. Het is inmiddels een communis opinio, dat ook de structuur van het Nederlandse onderwijs kansenongelijkheid bevordert. Denk aan de vroege Nederlandse selectie, de scherpe scheiding tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs. Van een inspectie valt te verwachten dat ze ook deze al veel langer bestaande ongelijkheid in de beschouwingen betrekt.

De publicatie van De Staat van het Onderwijs is een jaarlijks terugkerend ritueel, dat veel media-aandacht krijgt en dat vaak met contra-productieve paniek gepaard gaat. De inspectie werkt dat zelf in de hand. Het persbericht over het inspectierapport opent met ‘niveau onderwijs glijdt af.’ Voeg daaraan ‘gebrek aan ambitie toe’ en de toon is gezet. In de Volkskrant van zaterdag 14 april staat op de voorpagina dat het Nederlandse onderwijs volgens de inspectie ‘in verval’ is. In die lezing van het rapport zijn de positieve punten weggevallen en is het onzichtbaar geworden dat daarin ook veel goeds valt te lezen.

In een kwetsbaar veld als het onderwijs, waarbij mensen zich zo sterk betrokken voelen en waarover ze zo snel geraakt zijn, werkt een dergelijke presentatie het aanpakken van relevante kwesties juist tegen. De missie van de onderwijsinspectie houdt effectief toezicht voor beter onderwijs in. ‘Elk kind heeft recht op goed onderwijs. Leerlingen, studenten en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school goed is.’ Welke taken brengt die opdracht met zich mee? Het signaleren van trends en problemen, het analyseren daarvan en het geven van aanbevelingen. Die taken zijn zo omvangrijk, dat de inspectie daar niet op is berekend, waardoor hun aanbevelingen een nogal willekeurig karakter hebben.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s