Home

_IGP2658uw-1b

Op 27 oktober 2014 werd het beeld van Gerhard Durlacher in de Roetersstraat onthuld, in de nieuwe behuizing van de afdeling Sociologie van de Universiteit van Amsterdam. Het beeld is door Anneke Dammers gemaakt. Bij die gelegenheid hielden wij alletwee een toespraak. Anneke vertelde hoe zij ertoe gekomen is om het beeld te maken, ik vertelde wie Gerhard Durlacher was.

Speech van Anneke Dammers 

Mij is gevraagd kort te vertellen waarom ik het beeld gemaakt heb, maar ik wil beginnen met uit te spreken dat ik blij ben dat we hier weer staan, blij met jullie aanwezigheid en vooral met die van Anneke Durlacher en haar familie, blij met de aandacht voor het beeld en ook blij met de mooie plek die Jan Rath voor het portret heeft gevonden.

Op deze plek kan ‘hij’ opnieuw deel uitmaken van het Universitaire gebeuren en wordt hier -meer dan in het Spinhuis- opgenomen in de kring van sociologen, de plek waar hij thuishoort.

In eerste instantie heb ik het beeld gemaakt omdat ik mijn reactie op zijn plotselinge overlijden niet begreep. Ik was op hem gesteld, zeker, maar mijn reactie was heftiger dan dat. Omdat beeldhouwen de taal is waarmee ik zoiets kan uitzoeken én ik graag portretten maak, was 1+1 al snel 2. Slechts een paar mensen wisten waar ik mee bezig was, onder andere omdat ik ze om foto’s had gevraagd. Uiteraard was Johannes van de Weiden, zijn collega, vriend en buurman er een van. Johannes had aangeboden tussendoor te komen kijken, mocht ik daar behoefte aan hebben. Gelukkig kwam hij bijna direct toen ik belde en aangaf dat als hij niet heel snel kwam, ik het zou slopen. Dankzij zijn opmerkingen kon ik verder en bleef het gespaard.

Pas toen de nieuwsgierig geworden Kees Schuyt kwam kijken en zei dat het niet bij mij thuis maar op de UvA thuishoorde, viel het muntje: alleen dán zou het af zijn, namelijk pas als hij dáár weer aanwezig en zichtbaar zou zijn. Tot dan had ik daar nog helemaal niet over nagedacht, over wat ermee te doen als het eenmaal af was. Misschien had ik het gewoon weer afgebroken omdat het zo groot was.

Aangespoord door het bestuur van de vakgroep heeft de toenmalige directeur van de faculteit [Geert-Jan van Oenen] samen met een deskundige het beeld beoordeeld en na fiat én bijdrage van het College van Bestuur werd het proces in gang gezet, het portret in brons gegoten.

Dat het portret weer zichtbaar is, is belangrijk om verschillende redenen. Om de herinnering aan de socioloog, de wetenschapper die hij was, maar dat kan Rineke beter uitleggen.

Voor mij [en vele anderen] is het niet alleen belangrijk om de aimabele man die hij was, maar vooral om zijn leraarschap, de leraar die hij was. Hij beschreef het belang ervan zelf in zijn inaugurale rede bij het verkrijgen van zijn eredoctoraat: Wat het betekent socioloog, wetenschapper, leraar, mens te zijn.

Dat het voorgeleefd moet worden en er dus altijd mensen van vlees en bloed nodig zullen zijn omdat juist dát niet door computers kan worden overgenomen.

Hij zocht altijd naar die kwaliteit en sprak je –onuitgesproken- aan op dat waarachtige, niet te corrumperen stuk van je mens-zijn en vooral als hij zag dat er groei was, voelde je je daarin beloond, gezien, gekend.

Kijken naar de enkele bloemen noemde hij dat in een interview met Loeki Abram. Ik wil daar een stukje uit aanhalen, want wie kan het beter verwoorden dan hijzelf. Hij vertelde haar in ‘95:

“… ik wil geen ingekankerde pessimist zijn, maar op het ogenblik ben ik pessimistischer dan een paar jaar geleden. Maar hoop heb ik zeker. Die hoop zit juist ook in ‘Quarantaine’ [4e boek] met daarin mensen zoals Bennie Bril, Otto Gabel en dr. Belinfante die onder de verschrikkelijkste omstandigheden hun fatsoen niet verloren.

Dat er in de mest die er in de kampen bestond nog een paar bloemen bloeiden, dat is mijn levenslijn na ‘45: kijken naar die enkele bloemen. Het zijn de reddingsboeien waar ik mij aan vast houd…”

Dat kijken, zoeken naar de bloemen vond je ook terug in zijn omgaan met de wetenschap en bij het schrijven van zijn boeken: altijd op zoek naar dat niet te corrumperen, niet in twijfel te trekken, dat zuivere. Hij was daarin een voorbeeld, zélf een bloem dus …

In verband hiermee en de hoop die hij ons, mij, gaf, heb ik –tegen mijn gewoonte in- het beeld een motto meegegeven ‘… er ís licht …’

In de hoop dat het plan een QR-code bij het beeld te maken doorgaat, zodat iedereen zelf kan opzoeken waarom hij –vooralsnog- de enige socioloog met een portret binnen de UvA is, geef ik nu het woord weer aan Jan Rath, de voorzitter van de afdeling.

Speech van Rineke van Daalen

Wie is die man, die ons daar vanaf zijn sokkel aankijkt? Dat vroegen mensen zich in het Spinhuis al af, en hier in de Roetersstraat zullen mensen dat zich steeds vaker af gaan vragen. Studenten en Aio’s komen en gaan, onder de medewerkers lopen veel nieuwe gezichten rond, en er zijn steeds minder mensen die Gerhard Durlacher persoonlijk hebben gekend. Daarom moet Gerhard vanmiddag aan jullie worden voorgesteld. Wie was hij en waarom is hij hier, onder sociologen, zo op zijn plaats?

G.L.Durlacher werkte tussen 1964 en 1983 als socioloog op wat toen ‘het Sociologisch Instituut’ heette. Twee jaar later, in 1985 werd hij beroemd, niet als socioloog, maar als de schrijver van Strepen aan de hemel. Oorlogsherinneringen (1985). De titel van dat boek verwijst naar de bommenwerpers die in 1944 over het concentratiekamp Auschwitz heen vlogen. Ze waren op weg naar andere doelen. Het zou technisch onmogelijk zijn om met precisiebombardementen de crematoria te vernietigen en de aanvoerlijnen af te breken. Een argument dat achteraf gemakkelijk bleek te ontzenuwen. ’13 september 1944 leek heel even op bevrijding’, zo schreef Gerhard als 16-jarige gevangene in zijn opschrijfboekje. Het was een korte en hoogst pijnlijke illusie, en Strepen aan de hemel gaat over de ontgoocheling toen de vliegtuigen uit zicht waren; over het gevoel vergeten te worden door de rest van de wereld. Het is een verontrustend boek, dat in Nederland en daarbuiten grote indruk maakte, en dat ettelijke malen werd herdrukt.

Gerhard Durlacher groeide op in Baden-Baden, in een kleine joodse gemeenschap van 200 à 300 mensen. In Drenkeling. Kinderjaren in het Derde Rijk (1987) schetst hij zijn vroege jeugd, in een gezellig en roezig familieverband, met veel bezoek over en weer. Hij beschrijft hoe hij als zesjarig jongetje verschillen gaat opmerken tussen de gewoonten bij hem thuis en bij andere kinderen. Thuis vierden ze Chanoeka, een leuk feest dat op kerstmis leek, maar tot Gerhards verdriet zonder versierde kerstboom. Die verschillen tussen zijn eigen familie en anderen worden in de loop van de tijd steeds scherper. Gerhard beschrijft een reeks gebeurtenissen, oplopend in ernst, waar een dreiging van uitging die voor een kleine jongen moeilijk te duiden was. Hij merkt hoe de vriendelijke wereld waarin hij leefde bij stukjes en beetjes werd geïsoleerd, hoe hij samen met zijn joodse familieleden geleidelijk aan werd uitgestoten, hoe bevriende en vertrouwde mensen zoals hun hulp Maria door de buitenwereld worden gedwongen om hen te verlaten, hoe familieleden naar verschillende plaatsen vluchten en steeds verder uit elkaar worden getrokken. Zelf vluchtte de familie Durlacher in 1937 naar Rotterdam, een plaats die later helaas niet ver genoeg bleek te zijn. Zij maakten het bombardement van Rotterdam mee en in 1942 werden zij op transport naar Westerbork gezet. Zijn ouders overleefden het niet; Gerhard wel, maar zwaar beschadigd.

Wij studenten in de sociologie leerden Gerhards geschiedenis pas na enige tijd kennen. Hij was gewoon een van ons, een gedreven docent, bijzonder belezen en lichtelijk chaotisch. Hij was ongekend aardig en in ons geïnteresseerd, ook in ons persoonlijke leven. Hij praatte graag, op de gang, in de deuropening, en voerde ellenlange gesprekken aan de telefoon, waarbij alle denkbare onderwerpen de revue passeerden. Met welke docenten heb je dat als student?

Ik maakte kennis met hem in een werkgroep over armoede. Dat was zijn specialisatie: armoedestudies. Hij was niet iemand met een ‘school’ om zich heen en ik denk niet dat iemand van mijn generatie zichzelf als ‘een leerling van Gerhard Durlacher’ zal typeren. Maar dat werkgroepje was wel een van mijn eerste echt sociologische ervaringen. Het was slim opgezet: één gemeenschappelijk boek, The Concept of Poverty (Peter Townsend 1970), en daarnaast koos iedereen een eigen onderwerp: huisvesting, arbeid, onderwijs. We hadden fundamentele en interessante discussies, en we hadden elkaar veel te vertellen – we hadden het over definities van armoede, over de samenhang tussen verschillende dimensies van armoede, over de vraag of sprake was van een culture of poverty of van the poverty of culture.

Gerhard werkte eerder bij de Wiardi Beckman Stichting en schreef daarvoor het mooie De laagstbetaalden (1965). Het boek heeft een Ten geleide van J.M. den Uyl, die destijds voorzitter was van het curatorium van de WBS. Het was een verslag van onderzoek naar de levensomstandigheden van de laagst-verdienende bevolkingscategorieën. Durlacher vroeg zich af of het armoedebegrip in zijn beperkte materiële betekenis nog wel bruikbaar was, in verzorgingsstaten waar honger niet meer voorkwam en armoede niet direct zichtbaar was.

De resultaten zijn opmerkelijk eigentijds. Zo bleken de gevonden patronen sterker samen te hangen met verschillen in scholing dan met inkomensverschillen. Durlacher gaf een helder portret van zijn respondenten. Die bleken weinig dromen en weinig aspiraties te hebben. Ze waren berustend, onzeker, ze waren pessimistisch over hun kansen en vooruitzichten en over die van hun kinderen. Ze hadden een sterke buurtsolidariteit, maar toch verkeerden ze in een sociaal isolement en waren ze zelden lid van een organisatie. Ze hadden weinig vertrouwen in de politiek en voelden ook zichzelf onmachtig. Ze stonden minachtend en wantrouwend tegenover intellectualisme en ze waren intolerant. Ze hadden een carpe diem mentaliteit wat betreft consumptiegoederen. Hun cultuur bleek inderdaad te verschillen van die van de de middenklassen, maar volgens Durlacher kwam dat doordat ze hun doeleinden en verwachtingen aan hun beperkte mogelijkheden aanpasten. Ze namen noodgedwongen genoegen met tweede-keuzen, en ze maakten er het beste van.

In de decennia na de verschijning van De laagstbetaalden zijn de stijgingskansen van arbeiderskinderen sterk gestegen, maar toch blijven de mogelijkheden tot ontplooiing en zelfverwerkelijking van kinderen uit lagere sociale klassen, arbeiderskinderen en tegenwoordig ook immigrantenkinderen, nog steeds achter bij die van kinderen uit de hogere sociale klassen. Gevoelens van achterstelling en maatschappelijke onvrede zijn er sindsdien eerder groter dan kleiner op geworden, en deze beperken zich niet alleen tot de laagstbetaalden.

De laagstbetaalden was een klein boek, en daarna viel er een jarenlange stilte. Die duidde op een stagnatie in Gerhard Durlachers functioneren. Hij was vaak ziek, had uiteenlopende klachten, maar in onze werkgroep wist hij nog goed te camoufleren hoe ernstig het met hem was gesteld. In 1979 ging dat niet langer. Hij brak door het ijs, om het in zijn eigen woorden te zeggen. En pas na een slopende periode, na een LSD-therapie en later een psycho-analyse, lukte het hem geleidelijk aan om zijn leven weer op te pakken. Veertig jaar heeft het hem gekost totdat hij in staat was om over zijn oorlogservaringen na te denken en erover te schrijven. Op een bijna geobsedeerde manier ging hij heel systematisch zijn eigen verleden onderzoeken en hij schreef daarover in korte tijd een reeks boeken Het begin van een reis (1983), Bevrijdingen (1984), Strepen aan de hemel (1990) , Drenkeling. Kinderjaren in het Derde Rijk (1987), De zoektocht (1991), Quarantaine. Verhalen (1993), Niet verstaan. Verhalen (1995). Hij gaf interviews en lezingen, hij schreef stukken in kranten.

Hij groef zich in archieven in, las honderden kampverslagen. Hij begon die onderzoekingen als socioloog, eerst met een studie van overlevingsstrategieën. Hij brak die af toen hij daarin geen patronen kon ontdekken. Het was toeval en geluk als mensen de kampen overleefden. Daarna, toen hij twee van de jongens met wie hij in Auschwitz-Birkenau gevangen had gezeten op het spoor kwam, werd dat het begin van een zoektocht naar andere overlevenden. Wat was er van hen in de tussentijd gekomen? En welke herinneringen hadden zij aan die vreselijke tijd? Hij stuurde ze eerst een vragenlijst – om met hem zelf te spreken ‘je bent socioloog of je bent het niet’ – maar daar kreeg hij – niet verbazingwekkend – nauwelijks reacties op. ‘Zij hadden nog niet geleerd om erover te spreken’, zo stelt hij vast, en hij gaat ze daaarna persoonlijk opzoeken.

Hij wilde in zijn boeken zo nauwkeurig mogelijk te werk gaan. Er mochten geen elementen van fictie in voorkomen. Daarin is een sociologische beroepshouding herkenbaar, maar ook zijn behoefte om voor zichzelf ‘de realiteit te willen vinden’. Door deze aan de werkelijkheid van anderen te staven kon deze pas weer werkelijkheid worden. Dat staven was nodig, omdat het niet te aanvaarden was dat het echt gebeurd was, dat het geen nachtmerrie was geweest. Een ander belangrijk motief voor zijn precisie was zijn streven om latere generaties een zo zuiver mogelijk beeld te geven van wat er gebeurd was. In de woorden van Elie Wiesel: ‘Remember and transmit’. Nauwkeurige, te verifiëren feiten gebruikte hij als tegengif tegen de verdraaiing van de werkelijkheid die totalitaire staten tot een ware kunst weten te verheffen. Ook hoopte hij op die manier een ontkenning van Auschwitz onmogelijk te maken.

Volgens Durlacher werden zijn armoedestudies ingegeven door de behoefte om niet onverschillig te zijn tegenover het lot van anderen. En tegelijkertijd kwamen ze voort uit zijn vrees dat ontevreden, achtergestelde mensen, net zoals in nazi-Duitsland, een politiek gevaar konden gaan vormen. Zijn vrees voor maatschappelijke onvrede, die zich omzet in politieke radicalisering, is helaas nog even actueel als toen hij zich bezighield met armoedevraagstukken.

Gerhard maakte de verbreiding van het populisme in Nederland niet meer mee. Hij zou ernstig geleden hebben onder de gevoelens van haat die tegenwoordig openlijk tegenover immigranten geuit kunnen worden. Het zijn een paar van de onderwerpen, waarover ik graag nog eens met hem had willen praten. Hij had een heel eigen geluid, dat ik node mis.

Dat geluid kwam ook tot uitdrukking in de manier waarop hij met zijn verleden omging, met een grote gevoeligheid voor psychische processen. Hij is zich er van bewust dat Primo Levi, Danilo Kis, hijzelf niet het hele verhaal vertellen, maar alleen wat ze willen en kunnen vertellen. Hij verplaatst zich in zijn lezers en toehoorders en vraagt zich af hoezeer hij anderen met de verschrikkingen van de oorlog kan belasten. Hij houdt er rekening mee dat mensen niet alle gruwelen tot zich door kunnen laten dringen.

In de bundel Met haat valt niet te leven (1998), een verzameling interviews en krantenartikelen, vraagt Adriaan van Dis hem of hij denkt dat het goed is dat kinderen Claude Lanzmann’s film Shoah in schoolverband te zien krijgen. Gerhard heeft zijn bezwaren, vooral als kinderen verplicht worden om te kijken. ‘Als kinderen vrijwillig zeggen: Ik wil dit zien, ik wil erover horen en ik wil het zien: prima. Maar dan wel als de onderwijzer of de leraar ook heel duidelijk toelichting kan geven, voorlichting kan geven. Maar om kinderen te dwingen in een programma, in een schoolprogramma, deze dingen aan te zien, acht ik funest. Want wat moeten kinderen hiermee, wat kunnen ze ermee?’ Het is belangrijk dat die laatste vragen gesteld blijven worden. Er spreekt een empatische houding uit, oog hebben voor gevoelens en rekening houden met de gevoelens van anderen.

Dat is de Gerhard Durlacher zoals ik me hem graag wil herinneren en zoals ik hem, in het beeld van Anneke Dammers, in de Roetersstraat nog vaak wil tegenkomen. Gerhard Durlacher, socioloog, maar vooral Gerhard Durlacher die door de oorlog is getekend, die de psycho-analyse nodig had om verder te leven, en die de sociologie kon gebruiken om zijn ervaringen te onderzoeken en op te schrijven.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s