Home

De meevallende polarisatie stelt niet gerust

Rineke van Daalen

Is het een essay, een pamflet of een boek(je)?, zo vraagt Jan Willem Duyvendak zich af in het nawoord van Spookkloven (2025). Ik vind het een goed geïnformeerd pamflet, waarbij de titel de inhoud slechts ten dele dekt. De titel suggereert dat het boek draait om het recht zetten van misvattingen over maatschappelijke ongelijkheid, en dat levert op het eerste gezicht geruststelling op. Duyvendak ziet zichzelf als mythenjager. Hij onderzoekt onder andere verschillen in inkomens, opleiding, gezondheid en huisvesting en per dimensie zet hij de feitelijke toestand af tegen de perceptie daarvan en tegen de emoties die deze ongelijkheid oproept. Er blijkt dan weinig over te blijven van de vermeende kloven. Duyvendak komt tot de conclusie dat er sprake is van spookkloven en in zoverre is zijn betoog te lezen als een pleidooi om feitelijke gegevens beter te onderzoeken en daaraan meer ruchtbaarheid te geven.

In een tijd waarin polarisatie overal in doorklinkt, is het nogal paradoxaal dat de verschillen in maatschappelijke positie de afgelopen decennia juist kleiner zijn geworden. De overgebleven ongelijkheid is daardoor juist minder goed te verdragen. Dat mensen anno 2025 toch denken dat ongelijkheden, discriminatie en racisme erger zijn geworden ziet Duyvendak als een teken van democratisering en emancipatie. In een tijd dat mensen ‘hun plaats wisten’ zagen ze ongelijkheid als hun lot en zouden ze eerder hun mond hebben gehouden als ze gediscrimineerd werden. De polarisatie valt volgens Duyvendak wel mee, maar zijn boek gaat eerder over een toegenomen gevoeligheid voor ongelijkheid en hiërarchie.

Toch is dat niet het hele verhaal. De kloven waarover Duyvendak spreekt laten zich minder goed over één kam scheren dan hij het doet voorkomen. Sommige van deze vermeende kloven verwijzen naar karakteristieken van iemands positie die zich eenduidig laten onderzoeken en die zich laten afzetten op een schaal van meer naar minder, zoals inkomens of woonsituatie. Dergelijk onderzoek geeft een beeld van de maatschappelijke afstand en tegenstellingen tussen groepen. Maar andere karakteristieken laten zich minder goed op een schaal vastpinnen, zoals verschillen van mening, van wereldbeeld, politieke opvattingen en emoties. De polen en het midden krijgen daar een minder heldere betekenis.

Spookkloven relativeert de polarisatie met een verslag van feitelijk onderzoek naar ongelijkheid, maar tegelijkertijd wijst Duyvendak op reëel bestaande sociale afstanden. Zoals de groeiende vermogensongelijkheid waarover weinig mensen zich zorgen maken, en zoals de afstand in emoties die op onjuiste gegevens is gebaseerd. Beide vormen van ongelijkheid stellen me niet gerust.

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw is er een denivellering in vermogens ingezet, waarbij Nederland vergeleken met andere Europese landen objectief grote vermogensverschillen blijkt te kennen. Duyvendak bespreekt deze vorm van verschil en de effecten daarvan op andere dimensies van ongelijkheid. Er is sprake van een groeiende afstand tussen de polen, maar emotioneel brengt deze vorm van ongelijkheid gek en wel weinig teweeg. Slechts weinigen beklagen zich over deze onrechtvaardigheid, of winden zich erover op. Vermogensongelijkheid wordt systematisch te laag ingeschat, voorstellen voor nivellering worden afgewezen. Het is een onverklaard gegeven, dat het onderwerp geen publieke polarisatie oproept, en dat emotionele mobilisatie achterwege blijft.

Het groter worden van de ongelijkheid in vermogens vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw houdt echter een cruciale omslag in, met ingrijpende maatschappelijke gevolgen. In Nederland heeft Nico Wilterdink zich met het onderwerp beziggehouden. In 2015 publiceerde hij een geactualiseerde editie van zijn proefschrift uit 1984, met een extra hoofdstuk waarin hij de omslag naar grotere ongelijkheid over een langere termijn en op mondiale schaal probeert te begrijpen en te verklaren: Vermogensongelijkheid in Nederland. Ontwikkelingen sinds 1850 (2015). Wilterdink verklaart de denivellering vanaf de jaren tachtig uit de uitbreiding en intensivering van mondiale afhankelijkheidsnetwerken. Die hebben de interdependenties op nationaal niveau verzwakt – zie bijvoorbeeld de tanende macht van de vakbonden. Hij eindigt zijn boek met de sombere verwachting dat de economische ongelijkheid nog groter zal worden, met als gevolg een toename van de maatschappelijke onzekerheid, een afname van de sociale cohesie, en een groeiend onderling wantrouwen. Deze gevolgen worden verhevigd doordat mensen in de daaraan voorafgaande periode van nivellering gewend zijn geraakt aan egalitaire verhoudingen, normen en omgangsvormen. De groter wordende vermogensongelijkheid vloekt daarmee, en daar ligt een bron van groeiende spanningen en conflicten. Eens te meer omdat veel voorstellen om ongelijkheid tegen te gaan om een internationale, mondiale aanpak vragen en zich binnen nationale politieke structuren moeilijk laten realiseren. Je zou je kunnen afvragen of deze internationale verschuivingen ook niet ten grondslag liggen aan de spookkloven, de emotionalisering van de politiek, en de opkomst van het populisme.

Duyvendaks relativering van de polarisatie stelt me evenmin gerust als het over emoties gaat. Allereerst blijken de emotionalisering en de misvattingen die over ongelijkheid de ronde doen nauw met elkaar te zijn verbonden. Ze zijn niet los van elkaar te begrijpen, en ze wakkeren elkaar aan. Duyvendak ziet die emotionalisering dan ook als resultante én als aanjager van het onjuiste idee dat ‘de polarisatie nog nooit zo groot is geweest’. Mensen nemen hun eigen ervaringen en emoties als maatstaf en van daaruit overschatten ze de maatschappelijke ongelijkheid. De emotionalisering beneemt hen tegelijkertijd het zicht op de feitelijke verschillen. Het is de vraag hoe die impasse is te doorbreken. Hoe ervoor te zorgen dat feitelijke gegevens over maatschappelijke ongelijkheid door die ‘emotionele blindering’ heen kunnen dringen?

Tot slot: mij hoeft niemand te overtuigen van het bestaan van een breed maatschappelijk midden, maar ik wil graag meer weten over de variatie daarbinnen. Ik zocht dat uit voor het onderwijs, maar wie kijkt met een dergelijk oog naar de onderwerpen die Duyvendak heeft bestudeerd, zoals onder andere inkomen, armoede, geografie, gezondheid.

Leave a comment