Home

SAOA foto 2 website

 

Straatcoach is een van de nieuwe beroepen die je met een mbo-opleiding kunt uitoefenen. Straatcoaches zijn geen hulpverlener, jongerenwerker of politieagent. Hun werk ligt tussen deze beroepen in.

Ze hebben minder bevoegdheden dan politie-agenten, ze zijn niet gewapend, ze mogen niet verbaliseren of bij wetsovertreding een boete uitdelen. In nood kunnen ze steeds een beroep doen op de politie. Ze treden proactief op en leggen laagdrempelig contact. Gemiddeld zijn ze achter in de twintig, en ze vormen een multicultureel gezelschap. Ze zien er sportief uit, en hun mountainbikes maken dat ze snel en flexibel kunnen optreden. Ze leggen contact met jongeren en proberen een band met hen op te bouwen. Ze proberen te voorkomen dat zij zich misdragen, en dan hoeft het niet direct over strafbare feiten te gaan. Ze spreken jongeren aan en fungeren zelf als voorbeeld. Ze verzamelen informatie en worden wel de ogen en oren van de straat genoemd. Jongeren vormen de kern van hun werk, maar ze hebben ook nevenactiviteiten. Vervuiling op straat geven ze bijvoorbeeld aan de stadsdelen door. Samengevat moeten ze mensen een gevoel van veiligheid geven. Hun rode kleding is met het oog daarop gekozen.

De straatcoaches werken in opdracht van de stadsdelen, die ook de regie voeren. Coaches hebben met veel verschillende instanties te maken – onder andere met wijkagenten en ‘projectleiders jeugd’ van de politie. Onderling hebben ze regelmatig overleg, zowel over groepen als over individuele gevallen. Het beroep bestaat in Amsterdam sinds 2006. Daar rijden vijftig straatcoaches rond. Buitenstaanders vragen zich soms af waar hun werk uit bestaat. Onderzoek van de Gemeentelijke Ombudsman en een evaluatieonderzoek uit 2012 geven een beeld van hun functioneren.

In dit beroepsportret is te lezen wat hun werkzaamheden inhouden en welke kwaliteiten ze daarvoor nodig hebben.

Op straat

In de herfst van 2015 reed ik een paar keer met de straatcoaches mee. Eerst was ik aanwezig bij de briefing, voorafgaand aan hun werk. Ze bespreken dan de kwesties die de stadsdelen hebben doorgegeven en op basis daarvan maken ze een plan van aanpak. Die informatie uit de stadsdelen kan heel gedetailleerd zijn, over plaatsen, groepen, individuen. De jongeren op wie ze moeten letten worden met naam en toenaam besproken, met de geboortedata erbij. Hun gedrag komt aan de orde, hun aanspreekbaarheid, hun specifieke problemen, de contacten die de straatcoaches met hen hebben gehad. Belangrijk is de vraag wie met wie optrekt. Wie zijn die nieuwe mensen met wie Jeroen de afgelopen week is gezien? Hoe kunnen we dat ene groepje jongeren beter in beeld krijgen? Hoe zit het met Klaas en Sam die ook in andere stadsdelen opereren? Worden die ook wel eens met Mo aangetroffen?

Aan het begin van hun rit brengen de coaches een kort bezoek aan het politiebureau om te horen of de politie nog speciale wensen heeft. ‘Ja, over dat ene pleintje hebben we opnieuw een melding binnengekregen. Kunnen jullie daar extra aandacht aan besteden?’ Of: ‘Let op: daar bij die coffeeshops proberen jonge jongens mee te liften met meerderjarigen die ze vragen om wiet voor hen te kopen. Soms heeft de politie looproutes uitgetekend, zodat de straatcoaches de jongeren kunnen volgen.

Ik heb in verschillende gebieden meegefietst. Een paar keer met coaches die al heel lang in dezelfde buurt werken, en die alle ins en outs op hun duimpje kennen. Ze weten wie er wonen, wie er rondhangen, wie met wie bevriend is. Sommige jongeren hebben ze zien opgroeien. Ze rijden van hotspot naar hotspot. Wanneer de straatcoach een groepje treft waarvan hij niet iedereen blijkt te kennen vraagt hij: ‘Kom eens hier, wie ben jij, ken ik jou?’ ‘Ik ben Louise’ zegt het meisje. En de straatcoach zegt: ‘Ik had je niet herkend, wat zie je er goed uit’, en hij waarschuwt haar: ‘Blijf uit de buurt van die alcoholisten’.

Sommige jongeren geven geen overlast, maar kampen zelf met grote en veelvoudige problemen. Het stadsdeel en de straatcoaches willen hen ontmoedigen om elkaar op de bekende plekken te treffen. Jongeren van onder en boven de achttien jaar proberen ze te splitsen. Ze willen voorkomen dat er ongelukken gebeuren, en ze willen hen losmaken van mensen die voor hen een risico betekenen. Die hun bijvoorbeeld vragen om bier voor ze te kopen, en die hen als betaling het biertje zelf laten houden. Een van deze boodschappenjongens is zelf aan de drank geraakt. Als een coach hem op zijn gedrag aanspreekt zegt hij: ‘Dat boeit me niet, ik ben 18 jaar. Ik zit hier en heb een biertje gekregen.’

Meer in het algemeen proberen ze hen weg te houden van riskante situaties.  Met dat doel worden ook Interventiemedewerkers Gezinsaanpak ingezet, de tweede poot van de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam. Deze medewerkers leggen huisbezoeken af en ze maken afspraken met de ouders. De straatcoach noemt een voorbeeld van een meisje van 12 à 13 jaar die regelmatig bij ‘verkeerde mensen’ rondhing. Haar moeder werd daarover geïnformeerd door een interventiemedewerker. 

Op een van de vaste controle-plekken zitten mensen die een stil gezelschap vormen. Ze drinken, maar ze vallen niemand lastig. Ze roepen soms de hulp van de straatcoaches in om ongewenst gezelschap op afstand te houden. We fietsen langs ze en ze zwaaien hartelijk naar ons.

Daarna gaan we naar een bosje met een groot klimrekachtig houten huis. Er staan enkele fietsen en de straatcoach maakt daaruit op dat er mensen zijn, ook al zie je ze niet. Je hoort ze overigens wel. De straatcoach gaat kijken en roept naar boven: ‘Zeg kinderen, komen jullie even naar beneden?’ Vijf meisjes van een jaar of vijftien komen te voorschijn en ze vertellen dat ze daarboven stiekem een sigaret zitten te roken. Ze zijn niet aan het blowen en ze hebben geen alcohol bij zich. De straatcoach  waarschuwt ze: als dat wel het geval was geweest, zouden hun ouders gezinsbezoek hebben gekregen. Nu wil hij alleen hun naam weten. Hij wil de mensen in zijn gebied kennen. Hij vraagt om hun identiteitskaart, en één meisje heeft dat bij zich, de anderen niet. Daar maakt hij geen punt van. Hij schrijft hun namen en geboortedata in zijn opschrijfboekje. ‘Ik neem wel aan dat je eerlijk bent’, zegt hij een paar keer. Ondertussen maakt hij wat grapjes. Ze komen uit een ander deel van de stad.

De straatcoach waarschuwt hen dat ze beter uit het park kunnen gaan als het donker wordt. Er loopt hier raar volk rond. Ook zijn daar nogal wat homoseksuelen – ja, niet dat homo’s iets doen, die zijn altijd heel schichtig. De meisjes die toch al enigszins verbouwereerd zijn, kijken nu geschrokken. We gaan weer weg, en de meisje vragen of ze daar kunnen blijven. Ja, dat is geen probleem. Eentje rent nog achter ons aan en vraagt of het goed is als ze muziek aanzetten. Ja hoor dat kunnen ze rustig doen. ‘Ach’ zegt de straatcoach, ‘niemand hoort ze daar’. De meisjes maken een brave indruk en het is herfstvakantie.

Overigens blijkt de straatcoach veel van de mensen die we passeren te kennen. Al fietsend wijst hij mensen aan en vertelt wie het zijn en wat ze doen. Bij iedere risicoplek weten ze wie de vaste bezoekers zijn, en ze kijken wie er aanwezig zijn. Als ze onbekenden aantreffen en ze willen meer van hen weten, stappen ze op hen af en maken een praatje om zich te informeren. Sommigen willen niets met hen te maken hebben, maar de straatcoaches blijven met hen contact zoeken. Ze groeten altijd en als ze een voornaam weten noemen ze hen bij hun naam.

Op een gegeven moment horen we een vuurwerkbom afgaan, vlakbij een pleintje. De coaches gaan erop af en een tweede vuurwerkbom gaat af. Een van de twee coaches ziet wie het deed en dat die persoon op zijn fiets wegvlucht. Ze racen er met zijn tweeën achteraan, maar ze halen hem niet in. We wachten een poosje om te kijken of er nog meer vuurwerk komt en daarna gaan we terug naar het pleintje. Jonge kinderen zijn daar aan het voetballen en een van de straatcoaches gaat meespelen. Ondertussen praat de andere met een paar kinderen en probeert aan de weet komen of ze meer van het vuurwerk afweten. Hij komt er niet veel verder mee. Als we weer vertrekken en onze fietsen pakken, komt er een geagiteerd meisje aangerend die tegen de coaches zegt: ‘Weten jullie iets van die aanslagen in Parijs? Ik heb gehoord dat IS hierheen komt.’ Zij kijken verbaasd en zeggen ‘Nee hoor, daar hoef je echt niet bang voor te zijn.’ Zoekt ze bescherming bij hen? Het meisje gaat weer naar het voetbalveld. Wij bespreken het voorval. De coaches vinden het een ongewone vraag en een van de twee gaat nog even terug om te horen hoe oud ze is, hoe ze heet en waar ze op school zit. Hij vertelt dat andere kinderen vergelijkbare dingen zeiden en dat er een grote angst uit hun woorden sprak.

Na hun werk maken de straatcoaches hun dagverslagen. Ze noteren precies wie waar was, en hoe laat dat was. Ze schrijven op wie er ‘alcohol nuttigden’. ‘Ze waren echter nog wel goed aanspreekbaar en meerderjarig.’ Als het rustig was, vermelden ze dat ook. Een van de coaches schrijft in zijn rapportage dat ze bij het IAmsterdam monument vooral toeristen aantroffen. Ze hebben daar een poosje staan kijken, ter preventie van zakkenrollerij. Bij de skatebaan zagen ze ‘drie jongeren van Surinaamse afkomst, tussen de 13 en 16 jaar. De jongeren waren echter gewoon aan het skaten.’ De straatcoaches ondernemen dan ook geen actie. Ook beschrijven ze een vertrouwensbreuk met een jongere, over wie ze gerapporteerd hebben. Die had een coach in vertrouwen genomen, terwijl deze de informatie weer aan anderen had doorverteld. Dat maakt de straatcoach in zijn ogen een verrader. Het is een spanning die vaker voorkomt. Overigens blijkt uit de rapportages dat sommige jongeren hun eigen zorgen ook aan de straatcoaches doorgeven. Ze vertellen hun bijvoorbeeld dat er ‘s avonds feesten georganiseerd gaan worden ‘waar veel dingen gebeuren’, zoals straatroof en alcoholgebruik. Ze vinden dat de straatcoaches deze plaatsen moeten inspecteren, en ze vinden gehoor. ‘Deze locatie zou bij einde dienst nog 1x meegenomen kunnen worden’, zo schrijft een straatcoach in zijn verslag.

Wat moeten de straatcoaches kunnen?

In de loop van de tijd zijn de eisen aan straatcoaches veranderd. Eerst was fysieke kracht belangrijker dan praten, nu is dat juist omgekeerd. Empathie, contact maken en luisteren zijn hun belangrijkste gereedschap – je zou je kunnen voorstellen dat het beroep daardoor aantrekkelijker is geworden voor vrouwen. Coaches moeten met heel verschillende mensen kunnen omgaan, met jongeren net zo goed als met ondernemers of oude vrouwtjes. Ze moeten contact kunnen leggen en kunnen polsen hoe het in de buurt toegaat. Dat soort gesprekjes kan aanknopingspunten bieden om overlast op te sporen en aan te pakken.

De Stichting heeft een eigen opleiding ontworpen en opgezet, de Straatcoachacademie. De coaches krijgen in hun opleiding de volgende vakken: een fietstraining, zodat ze zich meer bewust worden van wat ze doen en ze hun fiets zelfs als ‘wapen’ kunnen gebruiken; kennis van andere culturen; communicatieve vaardigheden en contact leggen; conflictbeheersing; wetskennis, in het bijzonder over hun eigen bevoegdheden. Het is een opleiding met veel vakken die je door oefening leert.

De coaches worden getraind door JOSMIC, een organisatie die gespecialiseerd is in opleidingen voor fiets-surveillance en geweldsbeheersing. De training bestaat uit verschillende rollenspellen, waarbij de coaches net als in het echte leven steeds in teams van twee optreden, vaak met een taakverdeling – de ene praat, de andere observeert, de ene is de good cop, de andere de bad cop. Een algemeen advies dat ze meekrijgen: Maak geen beloften die je niet waar kunt maken!

De opdrachten beginnen relatief eenvoudig. De eerste is: leg contact met een groepje jongeren. Hoe doe je dat op een open en geïnteresseerde manier? Niet door je fiets tussen het groepje en jezelf te zetten, wel door ieder contact zonder vooroordelen in te stappen. Hoe blijf je gefocust op het gesprek en laat je je niet afleiden? In de tweede opdracht moeten ze nagaan wat er met een rumoerige dronken man aan de hand is. Hoe kan je in de verwarde wereld van deze man kijken, hoe kan je zo goed mogelijk luisteren naar wat hij te vertellen heeft, en hoe reageer je daar op? In twee opdrachten is sprake van fysiek geweld en gaat het over het beoordelen van een gevaarlijke situatie. Een man staat met een groot zwaard te zwaaien. Maak je contact? Hoe treed je op als team? In een andere opdracht loopt een man met een honkbalknuppel te zwaaien. Het is de bedoeling dat de coaches voorzichtig aftasten wat voor iemand dit is en hoe gevaarlijk hij is. Ze moeten hem zover zien te krijgen dat hij zijn honkbalknuppel neerlegt. Maar deze persoon blijkt extreem agressief en de opdracht is om daar alert op te reageren. Wanneer acht je het moment gekomen om snel weg te vluchten? Neem geen risico’s, wacht niet te lang met vluchten, waarschuw elkaar – dat is de kern van de feedback die ze krijgen. Een keer figureert een ronselaar in het rollenspel dat ze moeten spelen. Het is niet zo eenvoudig om te achterhalen wat er hier aan de hand is, en de teams verschillen sterk in wat ze boven water krijgen. Na de oefening vertellen ze elkaar welke informatie ze hebben verzameld. Als je alles bij elkaar veegt, komen ze wel een heel eind en tekenen zich de vage contouren van een ronsel-actie af.

Straatcoaches vormen hun eigen instrumentarium. Hun houding en instelling zijn daarom minstens zo belangrijk als hun opleiding. En in hun opleiding nemen sociale vaardigheden een belangrijke plaats in. Het is niet de bedoeling dat het vechtersbazen worden. Ze moeten het in hun werk hebben van open en vaardige omgangsvormen. Ze moeten hun eigen emoties kunnen doorzien en ze moeten alert en doortastend optreden. Bij de selectie wordt niet alleen gekeken of ze fysiek in goede vorm zijn, maar ook of ze de taal van de straat beheersen en streetwise zijn. Daarnaast moeten ze een goede rapportage kunnen maken en is het belangrijk dat ze affiniteit met de problematiek in Amsterdam voelen. Uiteraard moeten ze een Verklaring van Onbesproken Gedrag kunnen overleggen. Als ik een straatcoach vraag waarin volgens hem hun kracht ligt, noemt hij hun voortdurende en vasthoudende aanwezigheid. Ze komen iedere keer terug en ze spreken mensen steeds opnieuw aan. Mensen krijgen er ten slotte genoeg van, ze gaan weg of zijn niet langer lastig. Ik vraag hem of er wel eens iets mislukt, maar hij zegt dat de dingen altijd lukken, omdat ze zo volhoudend zijn.

Straatcoach: een nieuw beroep

Omstreeks de eeuwwisseling ontstond in Nederland grote bezorgdheid over moeilijke jongeren, vooral over jongens met een Marokkaanse achtergrond. De incidenten op het August Allebéplein in 1998, Paul Scheffers ‘Multiculturele drama’ (2000), de aanslagen op 11 september 2001, de moord op Theo van Gogh (november 2004) en de angst voor moslimfundamentalisme, het groeiende isolement van de immigrantenbevolking – al deze gegevens droegen bij aan het gevoel dat er echt iets moest gebeuren, dat er te lang was weggekeken. In grote steden zoals Amsterdam en Rotterdam werden jongeren op straat als een oncontroleerbaar en steeds ernstiger probleem ervaren.

Vergelijkbare angsten speelden ook in andere landen en deze vormden de aanleiding om tot actie over te gaan. The United Kingdom liep voorop in de disciplinering van jongeren. Vanaf de Crime and Disorder Act in 1998 werkte de overheid met drang- en dwangmaatregelen. Er kwamen de Acceptable Behaviour Contracts, overeenkomsten waarin jongeren, ouders, familieleden, leerkrachten, en andere betrokkenen zoals winkeliers vastleggen wat aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag is. Wanneer jongeren zich niet aan deze afspraken houden worden de Anti-Social Behaviour Orders van kracht. Dat betekent dat de contractbreuk strafrechtelijk wordt behandeld, ook al zijn de concrete gedragingen niet strafbaar. Op deze manier wordt het civiele recht als quasi-strafrechtelijk instrument uingezet.

In Nederland zijn maatregelen getroffen die op de Engelse maatregelen lijken: Doe normaal contracten, of Ff kappe, een pilot die in 2006 in Rotterdam van start ging. Ook kregen burgemeesters en officieren van justitie in Nederland de bevoegdheid om overlastgevende jongeren gedragsaanwijzingen te geven. Denk aan gebiedsontzeggingen, contactverboden, en de plicht om zich te melden en begeleiding te zoeken (Van Stokkom 2007; Van Stokkom, Greven, Boutellier 2014).

De komst van de straatcoaches past in dit rijtje. Vanuit de gemeente, Directie Openbare Orde en Veiligheid, werd in 2006 onder het burgemeesterschap van Job Cohen, een aparte, door de gemeente gesubsidieerde stichting in het leven geroepen: de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam. Inmiddels is die stichting uitgegroeid tot een organisatie met vijf vestigingen op verschillende plaatsen in de stad, ieder met een eigen teamleider en gebiedscoördinator. Ieder kantoor beschikt over computers en printers, en heeft een verbinding met de meldkamer op het centrale kantoor. Straatcoaches die in de knel komen hebben op die manier een direct lijntje met de politie, maar het komt zelden voor dat ze politie-hulp inroepen. Uit veiligheidsoverwegingen werken ze altijd met zijn tweeën.

Overlast door jongeren is een veranderlijk veld en de Stichting moet daarop inspelen. In Amsterdam hebben groepen jongeren de laatste jaren een minder vaste samenstelling gekregen. Ze zijn kleiner geworden en heterogener qua etnische achtergrond. Ook zijn de groepen minder aan bepaalde wijken gebonden, wat onder andere heeft te maken met de komst van de smart phones, de sociale media en de scooters. Jongeren hebben daardoor een breder netwerk en vluchtiger contacten. De Stichting speelt op deze ontwikkelingen in door hun teams minder homogeen etnisch te kleuren, en de coaches houden elkaar over de verplaatsing van jongeren op de hoogte. Straatcoaches uit West kunnen bijvoorbeeld een keer in Noord gaan werken, wanneer ze vermoeden dat ‘hun eigen mensen’ daar te vinden zijn. Het is mogelijk dat jongeren expres van standplaats verwisselen om bekende straatcoaches te mijden.

Naast de straatcoaches heeft de SAOA vijf Interventiemedewerkers Gezinsaanpak in dienst, met uiteenlopende achtergronden – kok, psycholoog, mbo juridisch. Zij fungeren als een tweede lijn. Na een aanmelding van het stadsdeel stellen zij de ouders op de hoogte en proberen zij tot goede afspraken te komen.

Straatcoaches als onderdeel van een hang naar veiligheid

De aanwezigheid van straatcoaches is onderdeel van een internationale ontwikkeling die is begonnen aan het eind van de jaren 1980, en die wel ‘de pluralisering van de politie’ wordt genoemd. Werk dat eerst de exclusieve verantwoordelijkheid van de politie was, werd nu opgesplitst in verschillende politie-achtige taken. Maar daar bleef het niet bij. Ook nieuwe vormen van toezicht en handhaving kregen gestalte. Zo kwamen er op verschillende niveaus nieuwe soorten toezichthouders bij, zoals stadswachten of straatcoaches, die niet beschikken over de opsporingsbevoegdheden en de geweldsmiddelen van de politie. (Terpstra, Van Stokkom, Spreeuwers 2013). Camera’s op openbaar terrein vormen een aanvulling op deze vormen van toezicht.

Wanneer je deze ontwikkeling in een groter verband plaatst, dan maakt het proces deel uit van een ingrijpende omslag in de houding tegenover misdaad en straf, vergelding en eigen verantwoordelijkheid. Die mentaliteitsverandering is niet in enkele zinnen te typeren. Wel zijn er een paar kernelementen. In het denken over criminaliteit worden angst en veiligheid de grondmotieven. Straf en hulpverlening worden van elkaar los gemaakt. Daders worden niet langer bekeken als mensen die het door hun treurige levensgeschiedenis ook niet kunnen helpen, en het wordt in twijfel getrokken of ze wel te verbeteren zouden zijn.

Criminologen interpreteren deze ontwikkeling op verschillende manieren: als een verdergaande disciplinering, een surveillancestaat, een ‘controlecultuur’ (David Garland 2001), of als onderdeel van een ‘veiligheidsutopie’ (Boutellier 2005). In de laatste interpretatie, die van Boutellier, verlangen mensen naar vrijheid en naar een expressief leven, maar willen ze tegelijkertijd tegen de risico’s van die expressiviteit worden beschermd.

In dat nieuwe veiligheidsklimaat gaat het niet zozeer om het bestraffend corrigeren van afwijkend gedrag, maar krijgen justitie, politie, en politie-achtige organisaties de taak om misdaad te voorkomen. Door preventief op te treden moeten ze bijdragen aan de sociale ordening van het gemeenschapsleven en aan de vormgeving van gemeenschappelijke normen.

Dat is precies wat ook van de straatcoaches wordt verwacht. Ze moeten jongeren monitoren, ze moeten bepalen wat wel en niet mag. Boutellier spreekt van ‘de vermaatschappelijking van het strafrecht’ en plaatst die in het teken van sociale cohesie. Generale preventie en afschrikking, repressieve politiek en een normatief programma, dat zijn belangrijke elementen in deze politie-achtige functies.

In het verlengde van nieuwe opvattingen over veiligheid en onveiligheid zijn er nieuwe beroepen ontstaan. Zoals de straatcoach, werk met een bij uitstek sociaal karakter, waarvoor een middelbare beroepsopleiding nodig is.

Geen straatcoaches zonder veiligheidsdroom, geen straatcoach zonder pluralisering van de politie.

——

Dit portret is gebaseerd op:

– gesprekken met Jack van Midden en Ruud van Benthem, manager HRM en staf; met Djordje Djuricic, de coördinator uit Amsterdam Oost en Zuid met verschillende straatcoaches;

– observaties tijdens drie fietsritten van de coaches;

– enkele rapportages van de straatcoaches;

– observaties van een JOSMIC-training op 7 december 2015.

Hans Boutellier 2005, De veiligheidsutopie. Hedendaags onbehagen en verlangen rond misdaad en straf. Den Haag: Boom, Juridische Uitgevers.

Bas Van Stokkom, Henk Greven & Hans Boutellier 2014, ‘Lessons to be learned? De lokale inbedding van de politie in Engeland & Wales en Nederland’, in: Tijdschrift voor Veiligheid, 13, 1, 42-59.

Bas van Stokkom 2007, ‘Regulering van antisociaal gedrag. Aanpak van persistent overlastgevende jongeren in Engeland en Nederland’, in: Tijdschrift voor Veiligheid 6, 3, 36-50.