Home

De vooruitgang en zijn dissonanten

Rineke van Daalen

Een paar jaar geleden bezocht ik een college van John R. McNeill in de cursus Big History aan de Universiteit van Amsterdam. John R. McNeill is historicus en de zoon van William McNeill, auteur van onder andere het nu actuele Plagues and Peoples (1976). Het college ging over wat in het Engels environmental history heet, en het centrale thema was de ecologische prijs van de vooruitgang van de mensheid. Eén detail bleef me bij, al ben ik er niet zeker van of ik het helemaal goed heb onthouden. Dat ging over de gruwelijke slachtingen onder de bizons, die bijna werden uitgeroeid. McNeill bracht deze onder andere in verband met de groeiende vraag naar piano’s, in mijn ogen onschuldige instrumenten om mooie muziek te maken. Het is een illustratie van het contrast tussen de positieve ontwikkelingen die de geschiedenis – een deel van – de mensheid heeft gebracht, en de schade die deze elders heeft aangericht. Die herinnering kwam bij me boven, nu ook de corona-pandemie de wereld met de keerzijden van vooruitgang confronteert.

De mensheidsgeschiedenis als vooruitgang

De historicus Yuval Noah Harari beschrijft de geschiedenis van de mensheid als een aaneenschakeling van uitvindingen die het leven gemakkelijker, veiliger en aangenamer hebben gemaakt. Mensen kregen de beschikking over taal en schrift, ze gingen het land bewerken en dieren houden, en nog later vernieuwden ze hun productiemethoden door technologische veranderingen en intensief energiegebruik. Ze werden steeds beter in samenwerking, coördinatie en de verwerking van gegevens. Hun inventiviteit en verbeeldingskracht stelden hen in staat om nieuwe werkelijkheden te creëren. En al die verworven inzichten en creaties gaven generaties aan elkaar door, waardoor ze in staat waren om de voedselproductie op te voeren en oorlogen, ziekten en geweld in te dammen (Harari 2017 [2015]: 1-25).

In Something New Under The Sun. An Environmental History of the Twentieth Century World (2000) laat John McNeill zien dat de economische groei, die zich vanaf de negentiende eeuw voortdurend en in een steeds hoger tempo heeft voltrokken, een voorwaarde was voor de bestaansverbetering. Deze langdurige economische boom maakte nog meer welvaart mogelijk, meer scholing, betere gezondheid, kortom, mensen kregen meer greep op hun leven. Het is deze groei, die in combinatie met de bevolkingsgroei en de verstedelijking de twintigste eeuw afwijkend heeft gemaakt van alle eeuwen die de mensheid op deze planeet heeft doorgebracht. Het uitzonderlijke daarvan ligt volgens McNeill niet zozeer in het type verandering dat mensen in de twintigste eeuw in eco-systemen hebben aangebracht. Afgezien van de aantasting van de ozonlaag waren dat voortzettingen van wat ze al eerder deden. Het kappen en verbranden van hout, de mijnbouw, de bevissing, landbouw en veeteelt – al die activiteiten bestonden al langer. Maar het verschil ligt in de schaalvergroting, de versnelling en de intensivering van deze processen in de twintigste eeuw. Die maakten dat kleine kwantitatieve toenamen een kwalitatief verschil gingen maken en een kritische grens overschreden. Zoals wanneer de temperatuur van de zee steeds een beetje hoger wordt, totdat het een punt heeft bereikt waarop de kans op orkanen groter wordt.

Op het gebied van handel en andere economische activiteiten raakten mensen steeds meer, en over een steeds grotere afstand op elkaar betrokken. Dat proces van economische integratie nam enkele eeuwen in beslag en strekte zich uit over de hele wereld, met een versnelling en verheviging aan het eind van de negentiende en de twintigste eeuw. Die globalisering leidde tot verbeteringen in het bestaan van een deel van de mensheid, en deze gingen over een lange termijn samen met veranderingen in gedrag en met een verbreding van identificaties. Wie het beter kregen gingen zich met meer, ook verre anderen verbonden voelen. Ze gingen overeenkomsten zien tussen zichzelf en anderen, en die verandering maakte hen ontvankelijk voor het idee dat alle menselijke wezens in principe aan elkaar gelijkwaardig zijn. Een principe dat een voedingsbodem vormde voor de afschaffing van de slavernij, en dat na de Tweede Wereldoorlog weerslag kreeg in de Universele Rechten van de Mens of in organisaties zoals de Verenigde Naties.

Kosten, risico’s en dissonanten van vooruitgang

Zo verteld klinkt de mensheidsgeschiedenis als een succes, en vanuit die invalshoek bekeken leek de wereld de goede kant op te gaan. Maar dat is niet het hele verhaal. De vooruitgang, de toegenomen mogelijkheid om meer mensen te voeden en oorlogen, ziekten, geweld te bestrijden, heeft grote kosten met zich meegebracht die veelal verborgen bleven in de schaduw van de vooruitgang. De verbeteringen in de levensomstandigheden van mensen hebben schade aangericht aan niet-menselijke dieren, planten en het heelal, terwijl de voordelen ervan in menselijke samenlevingen onevenredig verdeeld werden.

Vooruitgang is nooit een eenduidig proces geweest: een wereldwijde betrokkenheid op elkaar ging samen met een groter wordende ongelijkheid binnen landen en tussen landen. Door technologische vernieuwing en door uiteenlopende energieregimes ontstond er een arbeidsverdeling tussen rijke en arme landen, wat sociale schade aanrichtte en waardoor ook de milieu-effecten ongelijk verdeeld werden. ‘De vooruitgang’ zag er in verschillende delen van de wereld verschillend uit.

Dat mensen de wereld meer gingen beheersen had bovendien onbedoelde en vaak ongewenste gevolgen: kwetsbaarheden van allerlei aard. Joop Goudsblom illustreert dat aan de hand van vuurbeheersing (1992: 25). ‘Het bezit van vuur heeft de menselijke samenlevingen productiever en weerbaarder gemaakt, maar het heeft ook hun vermogen tot vernietiging en hun kwetsbaarheid vergroot’ (Goudsblom 1992: 25, 26). De dynamiek die Goudsblom hier voor de omgang met vuur beschrijft, de combinatie van beheersing en afhankelijkheid, is ook op veel andere gebieden herkenbaar. Zoals in de precaire verhouding tussen mensen en microparasieten, waarmee de wereld op dit moment te kampen heeft; of in de onbedoelde en ongewenste effecten van digitalisering.

Ecologische schade

John McNeill demonstreert hoe sociale en ecologische ontwikkelingen over een lange termijn en op wereldschaal op elkaar hebben ingewerkt, hoe de een de ander heeft beïnvloed, heeft belemmerd en gestimuleerd, en hoe de een niet zonder de ander is te begrijpen. Theorieën over menselijke samenlevingen, zoals het kapitalisme, het patriarchaat, overbevolking, de civilisatietheorie zijn niet in staat om die complexe en veranderlijke samenhang te verklaren.

Geschraagd met cijfers en tabellen brengt McNeill de omvattende en duizelingwekkende groei in beeld van de economie, bevolking en migratie gedurende de afgelopen millennia; en hoe die groei in onderlinge samenhang heeft ingewerkt op de eco-structuur. Hoofdstuk na hoofdstuk geeft hij een systematische en gedetailleerde behandeling van de gevolgen van die ontwikkelingen: een verstoring van de ecologische verhoudingen op het gebied van de waterhuishouding, bossen, mineralen, mijnbouw, landbouw, visserij. En iedere keer is het hetzelfde verhaal: economische groei die gepaard gaat met een aantasting van de bodem, het water, de atmosfeer. Een tekort aan schoon water, de opwarming van het klimaat en het teruglopen van de biodiversiteit, dat zijn enkele keerzijden van de economische groei.

Je zou het boek als een aanklacht kunnen lezen, maar zo is het niet opgeschreven. Het heeft een beschouwende en constaterende stijl: zo is het gegaan, het heeft mensen veel opgeleverd, en daarna zijn de lezers aan zet. De systematiek in het boek, de onvoorstelbare schaal, de herhaling die zich al zo lang en in alle domeinen voordoet, en de optelsom van dat alles – die gaven mij een overzicht dat ik niet had, en een inzicht in de uitzonderlijkheid van de wereld en de levensstijl die nu levende mensen bij hun geboorte hebben aangetroffen. Die levensstijl zijn ze gewoon gaan vinden, en dat misleidende idee beneemt hen het zicht op het bijzondere en het ontwrichtende van hun manier van leven. Voor mij was het nieuw om me te realiseren dat de landelijkheid uit mijn jeugd destijds al zozeer was aangetast. Die landelijkheid was voor mij de standaard van hoe de planeet eruit behoorde te zien, de maatstaf waaraan ik verslechtering afmat. Ten onrechte, zoals McNeill laat zien.

Aan die ontwrichting ligt geen welbewuste opzet ten grondslag, maar evenmin is deze een ongelukkige toevalligheid. Mensen leerden hoe ze het leven naar hun hand konden zetten, en daarbij negeerden ze de onbedoelde negatieve gevolgen van de uitbreiding van hun handelingsvermogen. Naast de mateloze groei, maken ook die onvoorziene neveneffecten de twintigste eeuw afwijkend van de lange geschiedenis die daaraan vooraf ging.

Civilisatie en zijn dissonanten

De socioloog Norbert Elias en de Britse historicus Keith Thomas hebben onderzoek gedaan naar de gedragsveranderingen die zich parallel aan de vooruitgang in levensomstandigheden in Westerse samenlevingen hebben voorgedaan. Elias deed dat voor de bovenlagen in West-Europa tussen de 14e en 19e eeuw (1994 [1939]), Thomas onderzocht het vroegmoderne Engeland (2018). Vergeleken met McNeill bestrijken beide onderzoeken een beperkt tijdsbestek en een beperkt gebied. De ontwikkelingen die zij analyseren zijn dan ook tijd- en plaatsgebonden, maar de richting waarin deze zich bewegen is voor latere perioden door andere onderzoekers bevestigd. Ook de mechanismes die Thomas en Elias bij gedragsverandering hebben aangetroffen hebben een grotere reikwijdte. Zo blijkt de menselijke behoefte om zich in een hiërarchische ordening van elkaar te onderscheiden een belangrijke motor voor gedragsveranderingen te zijn – een kernelement in de civilisatietheorie van Norbert Elias.

De gedragsveranderingen die Elias aantrof noemde hij civilisatie, en hij relateerde ze aan de uitbreiding van de netwerken waarin mensen met steeds meer anderen verbonden raakten. Hij richtte zijn aandacht daarbij vooral op staatsvorming en geweldsmonopolisering door de staat, en zag daarin belangrijke voorwaarden voor het ontstaan van de door hem geconstateerde gedragsveranderingen. Pacificatie en wettelijke regulering van geweld veranderden de relaties van mensen, met de buitenwereld, met elkaar en met zichzelf. Ze gingen meer dwang op elkaar en op zichzelf uitoefenen, ze werden terughoudender in de uiting van hun affecten, onder andere op het gebied van agressie en seksualiteit.

Dat klinkt harmonieuzer dan het verloop van de geschiedenis is geweest: de ontwikkelingen gingen niet in een rechte lijn in de richting van wat wel vooruitgang wordt genoemd. Er waren perioden waarin de weg vooruit door economische depressies, oorlogen en decivilisatie werd onderbroken. De identificatie met verre anderen ging veel minder ver dan het universalistische ideaal pretendeerde, zoals het alom en altijd aanwezige racisme demonstreert. Het idee dat alle mensen, ongeacht kleur, gender, levensbeschouwing principieel gelijkwaardig zijn en daarom recht hebben op wederzijds respect en solidariteit, werd en wordt vaak met voeten getreden. Niet iedereen die tot de Homo Sapiens behoort telde en telt evenveel mee – nog afgezien van de uitsluiting van niet-menselijke dieren (zie de kritiek van Barbara Ehrenreich in haar Erasmus-lezing Beyond Humanism 2018).

Mensen beoordelen elkaars gedrag en gedragsstandaarden vanuit hun eigen positie en perspectief. Hun interpretaties verschillen en dat maakte civilisatie altijd omstreden. Illustraties daarvan zijn te vinden in In Pursuit of Civility. Manners and Civilization in Early Modern England (2018) van Keith Thomas. De vroegmoderne Engelsen bleken sterk van mening te verschillen over de inhoud die ze aan beschaving gaven en die betekenissen verschoven voortdurend. Ook discussieerden ze over de vraag of een ontwikkeling in die richting wel wenselijk was. Maar wat ze er ook onder verstonden, ‘beschaafd’ gedrag was altijd een manier om zichzelf tegenover anderen te verheffen. Afhankelijk van hoe ze zichzelf zagen, bestond er grote variatie in de groepen die ze als onbeschaafd en dus als buitenstaanders aanwezen. Christenen zagen heidenen als barbaren, geschoolde, algemeen ontwikkelde mensen keken neer op wie ze als ongepolijste ‘wilden’ beschouwden, zoals Ieren, Schotten, Indianen, mensen uit Afrika, de Nieuwe Wereld en Azië. Ze bekeken hen als buitenstaanders, en dat gold ook voor misdadigers in eigen land.

Veel Engelsen zagen hun eigen beschaving als superieur en daarmee legitimeerden ze hun wrede optreden in de internationale handel, in de verovering van koloniën en in de slavernij. Die ‘beschavingsacties’ zijn als sociale dissonanten van de vooruitgang te beschouwen. De Engelsen die zichzelf beschaafd vonden streefden voor zichzelf en hun naasten naar meer persoonlijke vrijheid, maar ze achtten de regels voor beschaafde omgang niet in hun omgang met buitenstaanders van toepassing. ‘Barbaren’ zagen ze als beesten, en daarin lag een legitimatie voor de wijze waarop ze hen behandelden – ‘beestachtig’ zoals ze zich ook gedroegen tegenover andere dieren dan de Homo Sapiens. Ze verjoegen hun mindere soortgenoten van hun land, doodden hen of maakten hen tot slaaf, ze onderwierpen hen aan zware straffen. Maar Thomas laat ook zien dat zulke processen van uitsluiting voortdurend ter discussie stonden. Steeds waren er ook reizigers, onderzoekers, diplomaten en kooplieden die zich daartegen verzetten en die zich verdiepten in de culturen van anderen. Het bestaan van andere zeden en gewoonten relativeerde voor hen de vanzelfsprekende superioriteit van hun eigen gedrag.

Keith Thomas behandelt civilisatieprocessen als een verhaal vol dissonanten en verzet. Hij brengt een dynamiek van insluiting en uitsluiting aan het licht, die inherent is aan beschavingsprocessen en die je ‘de beschavingsparadox’ kan noemen. Die term hebben Laura Gilliam en Eva Gulløv in Children of the Welfare State (2017) gebruikt om het gedrag van leerkrachten in Deense schoolklassen te typeren. Deze sociologen namen in de klas waar hoe leerkrachten ‘wilde’ kinderen onbedoeld stigmatiseerden en buitensloten, terwijl ze probeerden om hun gedrag bij te schaven en ze op die manier onderdeel te maken van de gemeenschap van leerlingen. Civilisatieprocessen hebben een tweeledig karakter. Integratie en marginalisering vinden tegelijkertijd plaats.

Een gelaagde politieke agenda: plaats en tijd

Verdergaande beheersing van de buitenmenselijke, tussenmenselijke en binnenmenselijke wereld verwijst naar welbewuste processen, maar de daaruit volgende afhankelijkheden en risico’s zijn eerder onbedoeld. Daarvoor ontstaat pas aandacht wanneer zich een crisis voordoet, aldus McNeill. Tot dat moment hebben politici en beleidsmakers, lokaal en internationaal, hun handen vol aan de kwesties van de dag. De werkgelegenheid, de inrichting van het onderwijs, de zorg en de veiligheid, dat zijn vragen waar zij zich allereerst mee bezighouden. Moeilijker blijkt het voor hen te zijn om de subtielere dreiging van minder grijpbare en minder acute crisissen onder ogen te zien. Zo ging het ook met de COVID-19-pandemie. Die pandemie kwam niet onverwacht en staat niet op zichzelf. Voorspellingen waren er al meer dan een halve eeuw geleden. Maar voorspellingen die zonder tijdspad en plaatsbepaling op de toekomst worden geprojecteerd blijven als dreiging onwerkelijk en ongrijpbaar, en zo lang dat het geval is kan het adagium ‘op hoop van zegen’ volstaan. Mensen blijken pas radicale maatregelen te treffen, vaak ad hoc, wanneer ze bij hevige rampen met kwesties van leven en dood worden geconfronteerd, zoals bij droogte, bosbranden, overstromingen, orkanen en epidemieën. Zulke catastrofes zijn weliswaar aanwijzingen dat er iets fundamenteels aan de hand is, maar zolang deze zich lokaal en op beperkte schaal voordoen wordt de noodzaak van snel en radicaal optreden alleen in de getroffen gebieden gevoeld.

Lange tijd konden maatschappelijke problemen worden opgelost door de economische groei te stimuleren en de levensstandaard te verhogen. Die economische imperatief liet zich goed combineren met de maatschappelijke, politieke en technologische ontwikkelingen van dat moment. Economische groei bood een geschikt scenario om binnenlandse politieke onrust en internationale dreiging af te wenden. McNeill beschrijft bijvoorbeeld de nationale inspanningen om oorlogen te voorkomen en te voeren – de Britse oorlogsinspanningen in de Tweede Wereldoorlog kostten ongeveer de helft van de Britse bossen. Economen, bankiers, politici namen beslissingen zonder dat ze rekening hielden met de ecologische gevolgen daarvan. Ze bekeken de samenleving en de natuur als aparte stelsels: ze deden alsof de natuur niet bestond, terwijl ecologen in hun onderzoek de mensheid negeerden. John McNeill neemt deze dubbele nalatigheid waar en hij heeft er weinig vertrouwen in dat dit eenzijdige perspectief gemakkelijk kan worden losgelaten. De natuur wordt dan voorgesteld als een onuitputtelijke voorraadkast, als een middel om geld te verdienen.

Something New Under the Sun is twintig jaar geleden geschreven en voor de inhoud ervan is sindsdien zeker meer aandacht gekomen. De urgentie is groter dan toen, maar dat wil niet zeggen dat de kern van McNeills boek inmiddels goed is doorgedrongen. Ook tegenwoordig zijn mensen zich er niet van bewust hoe uitzonderlijk hun levenswijze is, noch hoezeer die verknoopt is met de ecologische dynamiek. De menselijke samenleving en het milieu moeten in relatie tot elkaar worden bekeken, als één geïntegreerd systeem, met een langere tijdshorizon dan de problemen van de dag. De toegenomen beheersing van de buitenwereld heeft de kwetsbaarheid van mensen vergroot. De pandemie van 2020 is slechts een van de mogelijke voorbeelden van verstoring van het ecologische evenwicht, met een mondiaal schokeffect dat voelbaar is in alle domeinen en op alle niveaus van alle samenlevingen. Belangentegenstellingen en ongelijkheid komen scherper aan het licht, net als de ongelijk verdeelde kwetsbaarheden en de mogelijkheden om daaraan iets te doen. Mensen worden ongelijk getroffen.In rijke landen kunnen de ongelijk verdeelde effecten materieel enigszins worden gedempt, in arme landen kan dat niet.

De ecologische en daarmee samenhangende sociale problemen van tegenwoordig doen zich dichtbij huis voor ze hebben tegelijkertijd een wereldschaal. Ze laten zich alleen op verschillende integratieniveaus oplossen – lokaal, regionaal, nationaal en supranationaal. En niet alleen qua integratieniveau, ook qua tijdsbestek is een brede blik nodig, die de korte- en de langetermijn omvat. Dat geldt voor kwesties als klimaatopwarming, maar ook voor migratie en internationale sociale ongelijkheid. Nationale oplossingen over een korte termijn doen geen recht aan het internationale langetermijnkarakter van de problematiek. De toekomst is ongewis, een zware economische recessie ligt in het verschiet, geopolitieke verhoudingen zijn aan het schuiven. Banen vallen weg, voorzieningen en organisaties kunnen vanuit de nieuwe standaarden niet of slechts op halve kracht functioneren. Het zal een enorme inspanning vergen om de lockdown zonder al te veel sociale, economische en politieke kleerscheuren te verlaten; om te voorkomen dat de drieslag van pandemie, recessie en verrechtsing catastrofale gevolgen krijgt (zie Abram de Swaan in De Groene 7/5/2020).

Die radicale en omineuze omstandigheden maken het zowel een geschikt als een ongeschikt moment om fundamentele vragen over de toekomst te stellen. Om met de ongeschikte variant te beginnen: nu in veel landen geleidelijk aan een exit-strategie wordt ingezet, wil iedereen zo snel mogelijk terug naar hoe het vroeger was. Gewoon elkaar ontmoeten en omhelzen, gewoon naar je werk en geld verdienen, gewoon naar school. Maar het stilzetten van de wereld biedt ook een moment van reflectie en ruimte voor het besef dat de COVID-19 pandemie slechts een van de vele hedendaagse vormen van sociale en ecologische ontwrichting op wereldschaal is. Al die varianten van verstoring behoren tot het complex van de onbedoelde levensbedreigende gevolgen van het handelen van mensen. Dat besef zou mensen ertoe kunnen brengen om bij het oplossen van de problemen die zich nu voordoen, zoals werkloosheid en werkgelegenheid, niet meteen naar het beproefde recept van de economische groei gegrepen wordt. Creatievere oplossingen zijn noodzakelijk. Bij scenario’s denk ik aan de periode na 1945, toen mensen vanuit de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog tot één ongedeelde wereld probeerden te komen. De plannen voor een verenigd Europa, de Verenigde Naties en een wereldregering, kwamen destijds voort uit een verlangen naar vrijheid. Met de supranationale problemen die op dit moment spelen staat het voortbestaan van de mensheid en de planeet op het spel. Ook al klinkt het op dit moment utopisch om internationale vergezichten te bepleiten, toch zullen alleen krachtdadige visionaire initiatieven op een bovennationale schaal toekomstig onheil kunnen afwenden.

Bibliografie

Ehrenreich, Barbara (2018) Beyond Humanism. Amsterdam: Praemium Erasmianum Essay.

Elias, N. (1994 [1939]) The Civilizing Process. Oxford: Blackwell.

Gilliam, L. en E. Gulløv (2017) Children of the Welfare Sate. Civilising Practices in Schools, Childcare and Families. London: Pluto Press.

Harari, Yuval Noah (2017 [2015]) Homo deus. A Brief History of Tomorrow. London: Vintage.

McNeill, J.R. (2000) Something New Under the Sun. An Environmental History of the Twentieth-Century World. New York/London: W.W.Norton & Company.

Thomas, Keith (2018) In Pursuit of Civility. Manners and Civilization in Early Modern England. New Haven/London: Yale University Press.

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s